Mijn vader

Mijn vader geboren in 1903 hield van de koperen ploert. Zo noemde hij de zon altijd. Hij vertelde ons hoe laat de koperen ploert opkwam, en hoe laat die onderging. Als hij de hele dag buiten had gewerkt en het snikheet was geweest, zei hij dat de koperen ploert geen medelijden met hem had gehad. Bij warme dagen zat hij nooit in zijn hemd. Hij droeg altijd een overhemd met lange mouwen. Eentje met korte mouwen zou hij voor geen goud aantrekken. Als de zon scheen, deed hij zijn strooien hoed op.

Hij had er drie en ze leken precies op elkaar. Hij wandelde of fietste naar de polder in zijn pak met zijn `zomerhoed' op, zoals mijn moeder de hoed noemde. in die tijd was er een zanger die Lou Bandy heette en die droeg als hij zijn liedjes zong ook zo'n hoed. Dus als mijn vader aankwam en met een buiginkje voor de dames zijn hoed afnam, hoorde je iedereen fluisteren: net Lou Bandy.

Op zondag na het middageten ging mijn vader onder de druif zitten slapen. Elke week telde hij hoeveel trossen er nu al hingen en wie hij er blij mee ging maken. Mijn moeder zat onder het zonnescherm en bleef blank. Een bruine huid vond ze volks. Mijn vader vouwde zijn handen boven zijn buik, deed zijn ogen dicht en sliep. Nu waren wij aan de beurt. We knoopten zijn veters aan elkaar, deden kersen om zijn oren, en in elk gaatje van zijn strooien hoed stopten we een paardebloem. Hij merkte niets.