Met huid en huis

In een serie recensies van boeken die in het literaire hoogseizoen ten onrechte onopgemerkt bleven, deze week Erwin Mortiers debuut als dichter `Vergeten licht'.

Al in zijn prozadebuut, Marcel, toonde Erwin Mortier zich een poëtisch stilist. Hij had duidelijk geen breedspraak nodig om intimiteit te schetsen en die pagina's lang als decor te handhaven. In Mijn tweede huid paarde hij dit vakmanschap opnieuw aan volslagen eigenheid. De wereld die hij beschreef was niet groot, maar in de microscopische taal van Mortier kreeg het huis van zijn kinderjaren kosmische proporties. Wat hij vertelde en toonde was niet onbekend, maar werd in een nieuw blikveld geplaatst en was daardoor, hoe herkenbaar vertrouwd ook, toch prikkelend anders.

Die eigenheid en het persoonlijke idioom keren, waar mogelijk pregnanter nog, terug in Mortiers poëziedebuut. Vergeten licht heet de bundel, maar de rake, uit eigen herinnering geplukte beelden weerspreken die titel. Wie het verleden zo scherp voor de lens kan zetten, tart de vergetelheid. Mortier doet dat, net als in zijn proza, met kiekjes uit het familiealbum. Het brandpunt beperkt zich tot huis en huid; maar juist in deze beperking toont zich de meester. Lees hoe Mortier zich in `Huis in ons' de herinnering inschrijft:

Ik heb aan woorden nood zoals aan

muren,

aan zwijgen zoals ramen; iets dat de stilte

breekt, het lege opdeelt in verblijven.

Hier stond de kachel, ooit, en daar

het bad dat al mijn vorige gestalten heeft

bewaard. Al die kamers die afwezig

bleven staan, met kruimels op hun tafels,

vegen op de vloer en bij de lang gedoofde

haard je stoel, rooms van zitting

en gezindte. Sta nog eenmaal,

eenmaal op en rek je armen in het licht,

dat je overgeeft aan het gebinte.

De `je' in de laatste vier regels lijkt ambigu. `Je stoel' suggereert dat het om een vader gaat, maar de aansporing om nog eenmaal op te staan past beter bij de uitleg dat Mortier hier het kind uit zijn eigen geschiedenis toespreekt. Om zelf nog eenmaal naar dat licht te kunnen reiken.

Vergeten licht bestaat uit drie reeksen: `Het graf van mijn kind', `Huis in ons' en `Lijfliederen'. Van dood naar leven dus. De reeksen verschillen van perspectief en toon, maar graf, huis en huid hebben in Mortiers universum veel gemeen. Vergeten licht sterkt de gedachte dat Mortier aan een hecht samenhangend oeuvre bouwt. De grootmoeder die in de eerste reeks de dood van haar maar vijftig jaar geworden dochter overpeinst, kennen we al uit Marcel. Daarin verzorgt ze het graf van haar doden als was het hun lijf.

In de reeks `Huis in ons' bezingt Mortier de woning van zijn ouders en voorouders, en de herinneringen die dat huis en de bewoners bij hem oproepen. En vooral ook de dingen, die hun eigen gang gingen en dat in Mortiers gedichten nog altijd doen. Het huis heft zijn goten hoog op om dorstig te wachten tot de wolken splijten. Muizenissen wachten in de hoeken bij het raam hun kans af. Stoelen klagen. Niet de mensen maken geschiedenis, maar het huis bakt de taarten en baart de kinderen: `Nu begrijp ik waarom het werd gebouwd./ Waarom het, nu buiten alles/ uit elkaar valt, samenvoegt. [...] Het houdt ons vast, het huis. Het laat ons gaan./ Ons prominent afwezig zijn en toch bestaan.'

Over de realiteit van dat bestaan, en dan niet in herinnering maar op het vege lijf, gaat de derde reeks van Vergeten licht. In acht `Lijfliederen' uit Mortier zijn verbazing over het fysieke omhulsel van leven en liefde. Mooi is vooral de `Korte hulde aan Seigneur de Montaigne', die in twee verzen een essayistische kijk op de gemakken en ongemakken van het mensenlijf biedt. De inzet is ironisch. `Dat het mij nog altijd meezeult. Nooit eens meesmuilt,' noteert Mortier. Maar het slot is verzoenend, scherp maar liefdevol verwoord, zoals veel gedichten in Vergeten licht:

Zoals het 's avonds haastig uit mijn

kleren stapt,

me slordig wast, zich in de spiegel schaamt voor mij,

en toch, terwijl het lijdzaam zucht, het

laken

wegtrekt en me nukkig

maar behoedzaam kantelt.

(Meulenhoff, 48 blz. ƒ27,50)