Melkertbanen leveren wel degelijk iets op

In de discussie over de vraag of het scheppen van gesubsidieerde banen wel of geen succes heeft bij de bestrijding van de werkloosheid wordt onder meer over het hoofd gezien dat werkzaamheden van bijvoorbeeld school- en zorgassistenten allerlei maatschappelijke baten opleveren, meent C. van der Werf.

Melkertbanen en andere gesubsidieerde arbeidsplaatsen voor langdurig werklozen, leveren nauwelijks iets op. De kosten zijn ruim elf miljard gulden per jaar en de doorstroming is gering. In de media is de afgelopen week geconcludeerd dat het werkgelegenheidsbeleid van achtereenvolgende kabinetten heeft gefaald. Deze conclusie werd ontleend aan het rapport 'Aan de slag' van een werkgroep van topambtenaren die op verzoek van minister Vermeend van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de effectiviteit van de arbeidsmarktinstrumenten onderzocht.

Vermeend en diens voorganger Melkert haasten zich beiden op basis van hetzelfde onderzoek te verklaren dat hier sprake was van een ernstige misvatting. Het beleid heeft niet gefaald, integendeel het is juist zeer succesvol.

De feiten. In totaal zijn ongeveer 90 duizend mensen werkzaam via zogenaamde Wiw- of ID-banen (de voormalige Banenpool, JWG- en Melkertbanen). Nog eens 90 duizend `arbeidsgehandicapten' werken in sociale werkplaatsen. Uit het rapport blijkt dat 60 tot 70 procent van de mensen met een gesubsidieerde baan zonder die subsidie nooit werk zou hebben gevonden. De Wiw-, ID- en Wsw-banen zijn daarmee inderdaad, zoals Melkert en Vermeend terecht vaststellen, voorbeelden van beleidsinstrumenten met een zeer groot effect.

Weliswaar is flink wat geld gemoeid met deze regelingen (elf miljard op jaarbasis), maar aan uitgespaarde uitkeringen leveren deze maatregelen ook veel geld op. De netto-kosten per arbeidsplaats zijn daarmee beperkt. Daar komt bij dat de werkzaamheden van onder anderen toezichthouders, school- en zorgassistenten allerlei maatschappelijke baten opleveren, en niet te vergeten ook een sociaal effect hebben. Tienduizenden mensen die niet meer werkloos zijn en er weer `bij horen' nu ze net als alle andere Nederlanders kunnen klagen over hun werk.

De andere manier van kijken is die van de criticaster. Die zegt: De meeste voormalige werklozen die via een gesubsidieerde baan aan het werk zijn stromen niet door naar de `reguliere' arbeidsmarkt, terwijl we kampen met tekorten op de arbeidsmarkt.

Uit de Wiw-statistiek blijkt dat het afgelopen jaar inderdaad een beperkt deel, ongeveer 15 procent van de Wiw-ers is uitgestroomd naar ander werk (waaronder ID-banen), terwijl dat bij de Wsw vrijwel nihil is. De vraag is of dat weinig is. Doorstroming is namelijk niet bij alle regelingen van gesubsidieerde arbeid een expliciete doelstelling en voor (grote) groepen van de (oorspronkelijke) deelnemers aan deze regelingen ook niet reëel. Sterker, binnenkort kan minister Vermeend afreizen naar Rotterdam om daar een aantal banenpoolers van het eerste uur een gouden horloge te overhandigen vanwege hun 12,5-jarig dienstverband. Bij de Wsw is zelfs de gemiddelde duur van het dienstverband 12,5 jaar. Is dat erg? Nee. Gesteld kan worden dat naarmate de doelgroep van kansarmen op de arbeidsmarkt beter wordt bereikt, de doorstroming naar de reguliere arbeidsmarkt juist gering moet zijn: het kenmerk van kansarmen is immers dat voor hen geen plek is op de `gewone' arbeidsmarkt.

Het primair beoordelen van de gesubsidieerde arbeidsregelingen op uitstroom naar reguliere arbeid is dan ook niet juist. Maar waarom worden in de huidige discussie de geringe doorstroompercentages dan gezien als het falen van het beleid? Bij nader inzien zijn de achtereenvolgende ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hier zelf ook debet aan. Zij hebben namelijk zelf herhaaldelijk de nadruk gelegd op het belang van doorstroming vanuit gesubsidieerde arbeid naar regulier werk. In een aantal gevallen is de doorstroomdoelstelling er zelfs later aan toegevoegd nadat de deelnemers waren geselecteerd op hun `afstand' tot de arbeidsmarkt. Enerzijds zal dit voortkomen uit de behoefte van politici mensen een perspectief te willen bieden, anderzijds `verkoopt' het arbeidsmarktbeleid politiek beter wanneer doorstroomdoelstellingen worden opgenomen.

De commissie van het rapport Aan de slag' constateert ook deze dubbele doelstelling, maar wijst ook nog op een ándere dubbele doelstelling in de regelingen. Niet alleen is sprake van een werkgelegenheidsinstrument voor langdurig werklozen, maar de regelingen zijn ook nadrukkelijk bedoeld om te voorzien in maatschappelijk nuttige werkgelegenheid in de publieke sector. Terwijl het `twee-snijdende zwaard' ooit het argument was om te kunnen beginnen met wat toen nog additionele arbeidsplaatsen werden genoemd, stelt de commissie nu voor juist deze twee doelstellingen te scheiden. Maatschappelijk nuttige taken dienen `gewit' te worden (op zich een zeer sympathieke en baanbrekende gedachte), en de rest van het budget moet aangewend worden voor reïntegratie-activiteiten.

Natuurlijk heeft de commissie gelijk dat voor een goede evaluatie en beoordeling van de effectiviteit van beleid heldere en meetbare doelstellingen noodzakelijk zijn. Maar anderzijds is het voor de politiek soms onontbeerlijk om met beleidsinstrumenten meerdere doeleinden na te streven. Het is in de achterliggende jaren nu juist de kracht van de regelingen voor gesubsidieerde arbeid geweest dat ze twee doelen dienden: het `achterstallig onderhoud' bij diverse maatschappelijke belangrijke taken, en het bieden van een reëel perspectief voor de kansarmen op de arbeidsmarkt. Zelfs al zijn beide doelstellingen slechts gedeeltelijk gerealiseerd, dan nog is de conclusie dat de gesubsidieerde banen niets hebben opgeleverd volledig uit zijn verband gerukt.

Drs. C. van der Werf is econoom en werkzaam bij Research voor Beleid.