In het spoor van Prikkebeen

,,Houd een libel altijd bij de vleugels vast'', zegt de boswachter, ,,dan beschadig je 'm niet.''

Wij kijken naar de kop vol ogen en het zich krommende achterlijf van de zwarte heidelibel. Ergens middenin zit een bobbeltje, wat erop wijst dat het een mannetje is. Onze gids zet de libel op haar hand; een seconde later stijgt hij op. Het diertje heeft slechts een enkel moment nodig om de gazen vleugels weer met lucht vol te pompen.

Wij bevinden ons op een veldje van struik- en dophei in de buurt van het Drentse dorp Elp, in de boswachterij Grolloo. Ons groepje van vijf excursiegangers wordt aangevoerd door Pauline, een van de zeer schaarse vrouwelijke boswachters in Nederland. Van jongs af aan is zij gefascineerd door alles wat de natuur te bieden heeft. Haar kennis deed zij in jeugdkampen en door zelfstudie op.

Thijsse beweerde al dat een uurtje in het veld meer resultaat had dan zes uur biologie in de klas. Volg het spoor van de natuurgids en je keert met een hoofd vol wetenswaardigheden bij de excursieschuur van Staatsbosbeheer terug.

Eigenlijk zijn we op zoek naar vlinders, maar onderweg worden we door van alles afgeleid. Bijvoorbeeld door een metershoge bult van rode bosmieren. Hun snelweg leidt door een veld van groen haarmos naar het bos waaruit zij met een buit van insecten terugkeren. Pauline legt haar hand op de mierenhoop en laat ons daarna ruiken wat de gealarmeerde mieren erop hebben gespoten. Een scherpe azijnlucht is waarneembaar, of liever gezegd: mierenzuur.

Zelf houden mieren meer van zoet. Zou de hoop aan de rand van de hei hebben gestaan, en zou daar de klokjesgentiaan hebben gebloeid, dan hadden ze hun slag kunnen slaan – door de volgevreten rupsen van het gentiaanblauwtje hun hol binnen te slepen en zich te laven aan de door hen afgescheiden sappen. Tussen de mieren kunnen de rupsen zich veilig verpoppen. Strekken ze eenmaal de vleugels, dan is het de hoogste tijd hun gastheren alleen te laten.

Op de hei laten alleen het hei- en icarusblauwtje zich zien; het blauw van de laatste is iets feller. Van Pauline horen we dat er naast dag- en nachtvlinders ook dagactieve nachtvlinders zijn. Nachtactieve dagvlinders bestaan niet, want die zouden 's nachts niets zien.

Met een welgemikte slag van het vlindernet – een snelle haal, gevolgd door een knikbeweging – weet ik een grijs, motachtig nachtvlindertje te verschalken, het gamma-uiltje, lid van een soortenrijke familie. Mijn gedachten dwalen even af naar meester Prikkebeen en de schrijver Nabokov die in zijn werk graag de hartstocht van de vlindervanger mocht uitbeelden. Dan heeft hij het over de `bloeddoorlopen lust' waarmee een verzamelaar naar een nachtpauwoog loert en over de man die een heel hotel uit de slaap houdt omdat hij een witte schoonheid door een raam naar binnen zag vliegen.

Ons oog valt alleen op een kleine fladderaar, het zwartsprietdikkopje, niet te verwarren met het geelsprietdikkopje. Maar waar zijn hun grote broers en zusters, de atalanta's, de koninginnepages, de rouwmantels en doodshoofdvlinders? Helaas, wij moeten ons deze bloedhete middag tevreden stellen met citroentjes, argusvlinders en natuurlijk dagpauwogen, ofwel schoenlappers. Nou vooruit, laat ik het oranje zandoogje niet vergeten.

Volgens Pauline beleven wij geen rijk vlinderjaar. Heeft dat met de zachte winter te maken? Is er te vroeg gemaaid? Het is gissen naar de oorzaak. Over het algemeen gaat het slecht met de vlinders, al zijn er tekenen van hoop. Hier en daar laat men bermen verruigen, die weer vlinders aantrekken. Zij gedijen eveneens in tuinen die ruimte aan wilde planten overlaten. Soms is het voortbestaan van een bepaalde vlinder afhankelijk van een speciale plant.

De twee jongetjes in de groep weten met rappe handen geregeld heikikkertjes en sprinkhanen te vangen. Zelfs hagedissen zijn ze te snel af, of bijna altijd – beteuterd laat de ene jongen een kronkelend wurmpje aan ons zien, het staartje van de levendbarende hagedis.

Op de terugweg door het bos komen we langs een weelde aan paddestoelen. Panteramanieten, nevelzwammen, kastanjeboleten, russula's met rode hoeden, het kan niet op. Zelfs de cantharel laat zich weer zien. ,,Die is bezig aan een opmars'', zegt Pauline. Misschien wordt de natuur in Nederland wel weer net zo mooi als in de tijd van Thijsse.