Hond

Het Stedelijk Museum van Amsterdam is 's zomers een oase van rust en koelte waar ik graag mag komen. En er is altijd wel iets te zien – hetzij aan de kunstwerken, hetzij aan de bezoekers – waarmee je je voordeel kunt doen.

Aan het begin van de zomer stapte Karel Appel met een dame het restaurant binnen. Nu is een van de wanden van dat restaurant geheel gevuld met een schildering van Appel en de voor de hand liggende vraag was: hoe ging Appel zitten? Met zijn gezicht of rug naar zijn wandschildering? Het werd zijn gezicht, wat niet zozeer met ijdelheid alswel met liefde te maken zal hebben. Wie wil niet op gezette tijden zijn kind terugzien?

Later haalde Appel als een onopvallende burger zijn jas op in de garderobe. ,,En hoe vond u het?'' vroeg het meisje van de vestiaire. Er liep een tentoonstelling van de jonge schilder Robert Zandvliet. ,,Wel leuk'', mompelde Appel verlegen en hij maakte zich snel uit de voeten. ,,Wie was dat?'' vroeg een mannelijke collega van het meisje. ,,Karel Appel'', zei ze blakend van trots, ,,de grootste schilder van Nederland!''

De aardigste, want spontaanste complimenten krijgt een mens vaak niet zelf te horen – dus ik geef het maar even door.

Deze week stond de treffende anekdote al bij de ingang van het museum te wachten in de personen van drie jonge Italiaanse toeristen – twee vrouwen en een man – en een vrouwelijke suppoost. En natuurlijk die hond, maar die wil ik als niet-hondenbezitter geen persoon noemen.

De hond was spierwit en lag op de trappen voor de ingang, vastgebonden aan een paaltje. Hij bleek bij de toeristen te horen en moest, getuige de heftigheid van hun stemmen, al even inzet zijn van een scherp meningsverschil met de suppoost. De toeristen wilden samen met de hond het museum binnen, de suppoost herhaalde telkens dat daar niets van inkwam. Het kiftende gezelschap stond op een kluitje voor de kassa.

De toeristen probeerden een variant uit: bezoek aan het museum met achterlating van de hond. ,,Nee, u moet die hond daar weghalen, anders bel ik de politie'', zei de suppoost.

Met verbazingwekkend fanatisme hielden de toeristen aan hun plan vast. Ze liepen naar het hokje van de beveiliging om hun gram te halen. Tevergeefs.

,,Waarom blijft één van jullie niet bij de hond? Jullie kunnen elkaar toch aflossen?'' probeerde de suppoost. O nee, daar kon geen sprake van zijn, het was samen uit, samen thuis. Ze staken de koppen bij elkaar, vertwijfeld, woedend en miskend. Na een poosje dropen ze af, maar ze bleven met hun hond nog zeker een half uur op de trappen zitten – een soort stille demonstratie tegen de bekrompenheid van het Nederlandse museumwezen. ,,Begrijp jij ze nou?'' zei de suppoost tegen een collega.

Laat ik het proberen. Ze waren bang voor de eenzaamheid. De eenzaamheid van iemand die buiten moet wachten terwijl zijn vrienden zich binnen vermaken. Dat vooruitzicht woog zwaarder dan de eenzaamheid van de hond. Die kon wel een poosje in z'n eentje midden in een drukke stad liggen. Karel Appel hield meer van zijn wandschildering dan deze mensen van hun hond.