Het muziekje van de haat

De weduwe van Louis-Ferdinand Céline valt haar man ook postuum niet af. Het antisemitisme van de Franse schrijver blijft zo raadselachtig, tenzij de lezer zelf op onderzoek gaat naar de racistische pamfletten, die van haar niet mogen worden herdrukt. De `stijlmaniak' was een teleurgesteld optimist die zocht naar de sleutel van de hemel.

Bijna alles wat Louis-Ferdinand Céline (1894-1961) ooit aan het papier heeft toevertrouwd, is tegenwoordig in druk verkrijgbaar. Voor zijn romans spreekt dat vanzelf, want daaraan heeft Céline (die eigenlijk Destouches heette) zijn literaire roem in de eerste plaats te danken. Vier Pléiade-delen zijn ermee gevuld, en van de afzonderlijke romans bestaan diverse pocket-edities. Daarnaast zijn zo langzamerhand al zijn brieven (aan vrienden en vriendinnen, aan advocaten en uitgevers) uitgegeven. Zelfs van alle interviews die hij heeft gegeven zijn de teksten verzameld en herdrukt.

Het hele oeuvre is beschikbaar, op drie uitzonderingen na: de antisemitische pamfletten uit de jaren dertig en veertig, die Céline's literaire roem zo'n vervelende, zij het veelbesproken smet hebben bezorgd. Na 1945 zijn ze nooit officieel heruitgegeven. Voor Bagatelles pour un massacre (1937), L'école des cadavres (1938) en Les beaux draps (1941) kan men slechts in de bibliotheek of het antiquariaat terecht. Alleen Céline's eerste pamflet Mea culpa uit 1936 heeft een plaatsje gekregen in het zevende deel van de Cahiers Céline, maar daarin gaat hij (na een teleurstellend bezoek aan de Sovjet-Unie) uitsluitend tekeer tegen het communisme, en nog niet of nauwelijks tegen de joden.

Dat Céline tijdens zijn leven weinig behoefte had aan een herdruk van zijn beruchte pamfletten, laat zich begrijpen. Na de Tweede Wereldoorlog speelde hij liever de rol van slachtoffer, zondebok nummer één, die achteraf op zijn kop kreeg omdat hij het als enige bij het rechte eind had gehad. In interviews hamert hij erop dat hij zich alleen tegen de joden had gekeerd omdat zij Frankrijk in een nieuwe wereldoorlog hadden willen storten. Louter pacifistische motieven zouden hem hebben gedreven. Tegen de joden op zichzelf had hij niets. Een voorstelling van zaken die – op z'n zachtst gezegd – niet volledig ondersteund wordt door de inhoud van de bewuste pamfletten, waarin racisme en jodenhaat ongeremd van de pagina's spatten.

Sinds Céline's dood in 1961 is het zijn weduwe, Lucette Destouches, geboren Almanzor, die een heruitgave van deze pamfletten tegenhoudt. Waarom? Het antwoord vinden we in Céline secret, een onlangs verschenen boekje waarin zij door haar vriendin Véronique Robert aan het woord wordt gelaten over haarzelf en over haar leven met Céline. `Die pamfletten hebben bestaan in een bepaalde historische context, in een specifiek tijdvak, en ze hebben Louis en mij alleen maar ongeluk gebracht. Nu nog altijd kunnen ze, juist door hun literaire kwaliteit, op bepaalde geesten een kwaadaardige invloed uitoefenen, die ik tegen elke prijs heb willen voorkomen.'

Het klinkt nobel, al vraag ik mij af of er iemand bestaat die zich nu nog door Céline's uitzinnige furie en krankzinnige argumenten zal laten overtuigen. Dat zijn pamfletten indertijd goed werden verkocht, ligt vooral aan het feit dat antisemitisme in het Frankrijk van de jaren dertig en veertig een wijdverbreid gedachtegoed was. Men was het, wat de kern van de zaak betreft, al bij voorbaat met Céline eens en nam diens hysterische overdrijvingen voor lief – of bekritiseerde ze, zonder het antisemitisme als zodanig af te wijzen, al is dat laatste natuurlijk ook gebeurd. Zo verscheen in 1938 Céline en chemise brun, een tegenpamflet van de uit Duitsland gevluchte jood Hanns-Erich Kaminski, waarin Céline's Bagatelles pour un massacre – terecht – wordt getypeerd als `een aansporing tot moord' en `een verheerlijking van de pogrom', terwijl Céline zelf wordt ontmaskerd als een propagandist voor de nazi's.

Van een weduwe kan moeilijk verwacht worden dat zij haar man postuum afvalt, na hem tijdens zijn leven altijd te hebben gesteund. Ook Lucette Destouches doet dat niet. Toen zij Céline in 1936 – op de dansschool waar zij voor balletdanseres studeerde – leerde kennen, zou hij tegen haar hebben gezegd: `Met jou wil ik mijn leven eindigen, ik heb jou gekozen om na mijn dood mijn ziel op te vangen.' Lucette was toen 23, Céline 41, een verschil van achttien jaar. En uit alles blijkt dat zij zich aan hem heeft aangepast, niet andersom. Typerend is hun eerste afspraakje, in het Luxembourg, waar ze samen zouden lunchen. Céline bestelde twee biefstukken, at de zijne in vijf minuten op en zei, terwijl hij opstond: `We gaan', zonder dat Lucette één hap van haar biefstuk had genomen.

Afgezien van dit soort merkwaardige anekdotes bevat Céline secret niet zoveel nieuws. Wat Lucette te vertellen heeft over hun gezamenlijke leven is al grotendeels bekend uit de biografieën van François Gibault en Frédéric Vitoux. Het aardige van het boekje is vooral dat zij nu voor het eerst een eigen stem krijgt, na zo vaak te hebben gefigureerd als personage in de – latere – romans van haar echtgenoot. We komen het nodige te weten over haar ouders en over haar visie op de dans. Maar de meeste aandacht gaat toch uit naar Céline. `Sinds de dood van Louis interesseert het leven me niet meer', luidt haar eerste zin. `Hij beschermde me tegen alles en ik heb hem alles gegeven'.

Een loze kreet lijkt dat laatste niet, want Lucette maakt er geen geheim van dat het leven met Céline niet altijd even gemakkelijk was. In het begin van hun relatie had hij allerlei affaires met andere vrouwen en na de oorlog, gebroken door het verblijf in een Deense gevangenis, kon hij vaak `verschrikkelijk' zijn, ook tegen haar, vanwege zijn pessimisme, zijn blinde agressie en zijn onvermogen (uit een teveel aan liefde, aldus Lucette) om zijn `tederheid' te tonen. Dankzij de dans en de vitaliserende werking daarvan had zij het kunnen uithouden, en ongetwijfeld ook dankzij haar naar eigen zeggen `engelachtige' opvatting van de liefde, die zij definieert als: `Aan de ander geven wat hij wil, zelfs als dat ons geen goed doet'.

Een ideale vrouw kortom, die door de niet van dweepzucht gespeende Véronique Robert `tegelijkertijd een fee, een heks en een talisman' wordt genoemd. Van zichzelf zegt Lucette dat zij nu eenmaal niets `half' kon doen, hetgeen Céline eens de reactie ontlokte: `Wat een geluk dat je het bordeel nooit hebt gekend'. Van zo'n echtgenote (het huwelijk werd gesloten in 1943 – waarna Céline meteen weer aan het werk ging, zonder zelfs een glas te drinken met de twee getuigen) hoeft niemand inderdaad veel kritische distantie te verwachten.

In dit licht moet waarschijnlijk haar verbod op de herdruk van de pamfletten worden gezien: Céline had het nooit gewild, dus ook zij niet. Over zijn pacifisme, dat door Lucette niet wordt gerelativeerd, laat staan ontkend, weet zij enkel op te merken dat het `oprecht' was. Nu zijn oprechtheid, bedrog en zelfbedrog bij Céline niet zo eenvoudig uit elkaar te houden. Ook bij zijn weduwe blijkt dat het geval, bijvoorbeeld wanneer zij zegt – naar ik aanneem in alle oprechtheid – dat Les beaux draps werd geschreven in 1939 en gepubliceerd in 1940, terwijl het toch echt 1940 en 1941 moet zijn.

Het verschil is van belang, juist in verband met Céline's pacifistische motieven. Want van pacifisme kon in 1941, dat wil zeggen: na de Franse nederlaag (die in het pamflet honend en niet zonder leedvermaak wordt gememoreerd), geen sprake meer zijn. Pacifistische, maar ook in een heel andere richting wijzende pro-Duitse, motieven vinden we slechts in de eerste twee pamfletten, geschreven vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog; in Les beaux draps (vrij vertaald: `De gebakken peren') is er geen spoor meer van te bekennen. Alleen al om zulke `vergissingen' te kunnen corrigeren, zou het nuttig zijn als deze pamfletten opnieuw werden uitgegeven. Maar er is ook nog een andere – gewichtiger – reden, die alles te maken heeft met de inzet van Céline's schrijverschap.

Hoewel Lucette vertelt dat Céline gewoon was alles wat hij geschreven had aan haar voor te lezen, heeft zij over zijn opvatting van literatuur niets te melden. Over literatuur, net als over muziek, `praatte' Louis nooit met haar, daarmee leefde hij alleen en `dat was het belangrijkste'. Des te meer sprak hij erover met de journalisten die hem in de jaren vijftig kwamen interviewen, teneinde hun duidelijk te maken dat het hem uitsluitend om `stijl' te doen was. `Ideeën' of `boodschappen' bevatte zijn werk niet, hij was een `stijlmaniak' die, zoals hij het uitdrukte, niet meer dan `een bepaald muziekje' in de stijl had aangebracht.

Nog altijd wordt Céline vooral geroemd om zijn stijl, en niet ten onrechte, zoals iedereen weet die Voyage au bout de la nuit of Mort à crédit gelezen heeft. Céline's claim opnieuw de `emotie' in de schrijftaal te hebben geïntroduceerd, wordt op elke bladzijde van deze romans bewaarheid. Of het hem werkelijk alléén om stijl ging, is niettemin hoogst twijfelachtig. De pamfletten leren anders, want ook daarin is sprake van `stijl' en van `muziek', maar dan wel in een geheel andere context. In Bagatelles pour un massacre lezen we namelijk: `De wereld heeft geen melodie meer', alles is `standaard' geworden, iedereen is `gerobotiseerd'. En wiens schuld dat was, daarover liet Céline geen enkele twijfel bestaan: het was de schuld van de joden. `De moderne beschaving is de totale standaardisering, ziel en lichaam onder de jood'.

In het racisme meende Céline een effectieve remedie te hebben gevonden. Als arts had hij zich gespecialiseerd in hygiëne, nu bleek dat deze specialisatie zich ook tot een `raciale hygiëne' uitstrekte. Vandaar dat hij met Hitler, door wie dezelfde `raciale hygiëne' in Duitsland tot wet was verheven, weinig problemen had. `Ik zou best een verbond met Hitler willen sluiten', schrijft Céline in Bagatelles pour un massacre, `Waarom niet? Hij heeft niets tegen de Bretons of de Vlamingen... Helemaal niets... Hij heeft alleen iets tegen de joden... Hij houdt niet van joden... Ik ook niet...'

Alleen een principieel racisme, ten gunste van de `ariërs', zou de `melodie' weer terugbrengen in de wereld. Met zijn romans (waarin overigens over `joden' en `ariërs' niet gesproken wordt) had Céline het goede voorbeeld gegeven, volgens hemzelf vrijwel als enige in de door en door `verjoodste' Franse literatuur. Maar de muziek mocht niet tot de literatuur beperkt blijven: de hele wereld moest weer leren zingen en dansen. Dat Céline zoiets mogelijk achtte, in weerwil van zijn gebruikelijke pessimisme, blijkt uit Les beaux draps, het enige pamflet dat hij onder de Duitse bezetting schreef.

Het werd – niet toevallig – zijn meest utopische geschrift, waarin hij als panacee voor alle sociale ellende een nationaal `communisme' aanprijst: het zogeheten `communisme Labiche' oftewel een `petit-bourgeois communisme', dat van alle Fransen kleine eigenaars en ambtenaren zou maken, voorzien van een lapje grond, een maximum en een minimum salaris, en een waardevast pensioen. Maar veelzeggender nog is de bijzondere rol die hij in hetzelfde pamflet voor de `schone kunsten' heeft gereserveerd. Het `communisme Labiche' bleef, zoals hij zelf moet toegeven, nog tamelijk `bekrompen', want meer zat er voorlopig niet in, gelet op de toestand van het `zieke' Frankrijk. Zodra het echter om de toekomst gaat, die na het opensnijden van het sociale `abces' mogelijk zou worden, komt Céline op stoom en dan kent zijn optimisme plotseling geen grenzen meer.

`Le salut par les Beaux-Arts!', roept hij uit. De kunsten zijn volgens hem `een manier om Europa en haar trieste kwalijke neigingen geheel en al te vernieuwen, haar weer een beetje een ziel terug te geven, een reden van bestaan, een betovering, vooral een vrolijkheid, dat ontbreekt haar het meest, om te beginnen vrolijkheid, daarna een bij haar passende melodie, een dronkenschap, een enthousiasme, een racisme van ziel en lichaam, die het ornament van de aarde zal zijn, de fontein van de hoogste sprookjesachtigheden!'

De `stijl' en het `muziekje' staan hier dus in het teken van een nationale én raciale regeneratie door middel van de kunst. Daarin valt de echo te beluisteren van een oude romantische droom, die in het werk van Wagner en Nietzsche zijn meest bekende vertolking heeft gevonden, met muziek en al. Net als zij (maar in Frankrijk geldt hetzelfde voor de in Bagatelles pour un massacre verfoeide surrealisten) keert Céline zich tegen de `onttovering van de wereld' en daarvoor klopt hij, eveneens net als zijn romantische en avant-gardistische voorgangers, aan bij de mythe, de kern van alle ware, authentieke kunst. De mens heeft volgens hem zijn `ziel' verloren, sinds hij de `zin voor fabels, het fabelachtige, legenden' is kwijtgeraakt, en alleen de kunst (`de sleutel tot de hemel') kan hem die zin weer teruggeven.

In Les beaux draps schrijft Céline: `Zonder permanente artistieke creatie, door allen, is er geen duurzame samenleving mogelijk, vooral tegenwoordig nu alles slechts mechanisch is om ons heen, agressief, abominabel'. Zijn ideaal is een samenleving waarin iedereen kunstenaar zal zijn – wat makkelijk kan, meent Céline, want een kunstenaar is de mens van nature; het is de school die deze natuurlijke artisticiteit, vooral in de wiskundelessen, de nek heeft omgedraaid. `Ieder mens met kloppend hart heeft ook zijn lied, zijn persoonlijke muziekje'. Daar hebben we het weer, dat `muziekje', ditmaal uitdrukkelijk verbonden met de natuurlijke, authentieke `arische' mens, in wiens herstel Céline althans een moment moet hebben geloofd.

In Céline secret is van dit geloof niets te bespeuren, evenmin als in Céline's na-oorlogse romans, brieven en interviews. De muziek wordt na 1945 bedrieglijk gereduceerd tot niet meer dan literaire `stijl' en de visionaire romanticus verandert in een welhaast oudtestamentische onheilsprofeet, die zich wentelt in zelfbeklag en hooguit troost vindt bij de gedachte dat de westerse beschaving haar onvermijdelijke einde tegemoet gaat. `Europa is bij Stalingrad overleden', schrijft Céline in zijn laatste roman Rigodon (postuum gepubliceerd in 1969), en niet zonder sado-masochistisch genoegen voegt hij eraan toe: `De Chinezen in Brest, zo gauw mogelijk!... mijn vurigste wens!...'

Tot aan zijn dood zou dit zijn voornaamste `liedje' blijven: de komende overweldiging van Europa door de Chinezen. Het antisemitisme heeft ogenschijnlijk afgedaan, maar blijft heimelijk gehandhaafd via Céline's onnavolgbare gegoochel met zijn eigen rassenleer. Want al in Bagatelles pour un massacre had hij betoogd dat de joden niet een eigen ras vertegenwoordigen, ze zouden zijn voortgekomen uit een `kruising van negers en aziatische barbaren'. Dus in zekere zin trokken zij alsnog aan het langste eind. Voor de blanken is er daarentegen geen hoop, zo verklaarde hij in een interview uit 1957: `Wit, dat is geen kleur, dat is de grondverf! De echte kleur is geel... De Gele heeft alles in zich om koning van de Aarde te worden...'

Op deze zotte manier probeerde Céline zijn deceptie te bemantelen en tegelijk zijn lezers een rad voor de ogen te draaien. In iedere pessimist schuilt een teleurgestelde optimist, zelfs in Céline, hoe beperkt en kortstondig het optimisme in zijn geval ook mag zijn geweest. Maar daar kom je pas achter wanneer je, ondanks de tegenwerking van de schrijver en zijn echtgenote, eigenwijs genoeg bent om van het hele oeuvre te willen kennisnemen.

Véronique Robert met Lucette Destouches: Céline secret.

Grasset, 167 blz. ƒ38,70