De overkant lokt altijd

Deze zomer praat Marjoleine de Vos met dichters over een van hun gedichten. In de slotaflevering Willem van Toorn: `Het geheel moet wel een soort muziekje zijn.'

Romans, kinderboeken, essays en een stevige berg gedichten, waarvan het overgrote deel vorig jaar werd opgenomen in de verzamelbundel Gedichten 1960-1997, dat is het oeuvre van Willem van Toorn (1935). Geen schrijver van grote gebaren en luide woorden maar van precisie en intimiteit.

Dit gedicht begint met in de eerste regel twee keer het woord `zeker'. Dat klinkt heel stellig.

,,Het is een soort bezwering: hou het vol, om een eiland te zijn. Het benadrukt ook meteen dat daar consequenties aan verbonden zijn. Een beroemd citaat van John Donne zegt: `No man is an Iland, intire of it selfe'. Dit is het tegenovergestelde. Natuurlijk moet je ook een eiland in jezelf proberen te blijven. Dat `zeker' drukt een verworven overtuiging uit, en het versterkt het effect van jezelf toespreken.''

Jezelf toespreken? Niet een ander, of het eiland?

,,Die `je' kan altijd de lezer of de maker zijn. Ik gun het de lezer ook wel, dat hij toegesproken wordt, maar ik heb bij dit gedicht sterk het gevoel of iemand tegen zichzelf zegt: wees ook maar een eiland, hou dat maar vol.''

Kan een eiland een brug weigeren?

,,Ik weet niet of eilanden dat wel kunnen, misschien zijn de meeste eilanden wel blij met die brug. Alles wat zelfstandig bestaat moet altijd met iets verbonden worden, een dijk, een brug. Dat is makkelijk, dan ben je niet meer zo'n rare eilandbewoner, dan heb je voormalige eilanden zoals Schokland, of Marken met zijn dijk, dan hoor je gewoon bij de mensen. Het heeft iets nivellerends, je gaat een beetje op de anderen lijken. Dat moet je maar net willen.''

De eerste vier regels van dit gedicht enjamberen allemaal.

,,Het enjambement laat altijd een waaier van mogelijkheden open, pas een seconde later, als je doorleest, weet je wat het wordt. Ik zie nu dat al die regels steeds op een zelfstandig naamwoord met een lidwoord ervoor eindigen: de brug, de dijk, het bereik, de grens, het land. Dat levert iets heel gedecideerds op.''

Heeft u dat nagestreefd?

,,Nee, dat gebeurt. Ik wil wel graag als het lukt, dat enjambementen een nadrukkelijke functie hebben en dat de regels niet zomaar ergens afbreken.''

Al die ij-klanken in de eerste strofe, heeft u die gezocht?

,,Niet bewust, maar ongetwijfeld maak je ook op grond van de klank een keuze uit de mogelijkheden die zich aandienen.''

Vindt u dat gedichten een soort muziek moeten zijn?

,,Ik wil wel dat het muzikaal is. Een wezenlijk onderscheid tussen proza en poëzie zit wel degelijk in die vormelementen. Klankverwantschappen zijn iets heel geheimzinnigs, we weten allemaal dat `bereik' niet alleen door die `ei' familie moet zijn van `eindeloos', maar toch werkt het wel zo. Zo ontstaat het netwerk dat het gedicht ook is. De wonderlijke mengeling van een mededeling en de manier waarop die zich voor wenst te doen. Het is weer niet zo dat ik per se aan het eind van de eerste strofe een rijmwoord moet hebben op `brug', ik ga daar niet aan het eind `terug' zetten en dan het tussenliggende invullen. Hier is `ligt' voor mij goed genoeg.''

Achter het land ligt nog weer eindeloos hongerig land, als een monster.

,,Een eiland is een afgerond ding, zo ervaart dit eiland zich ook. Dat andere, het land, gaat maar door, je wordt ingelijfd bij iets heel groots dat nog eindeloos veel eilanden zou kunnen opeten. Het heeft te maken met de angst van het kleine voor het overheersende grote, van het individu voor de massa. Andersom is er hooguit een zekere irritatie dat daar zo'n klein vervelend Terschellinkje ligt.''

Waarom begint de tweede strofe met `maar', is er wel een tegenstelling?

,,Het is een echte tegenstelling volgens mij. In de eerste strofe wordt almaar gezegd `pas op', `kijk uit', in de tweede strofe vind je een zekere bereidheid om het van de andere kant te bekijken. Je moet wel de verbindingslijnen openhouden, maar op je eigen condities. Het is het contact dat je zelf kiest, en daarvoor moet je met de grootste zorgvuldigheid je eigen bescheiden middelen inzetten.''

Is dat niet toch een vorm van afhankelijkheid?

,,Nee want het ontneemt je niet je eilandachtigheid. Een veer en een steiger horen bij een eiland.''

In de tweede strofe hebben alle regels tien lettergrepen behalve de laatste. De eerste strofe begint ook met twee tienlettergrepige regels en dan volgen een paar kortere. Telt u?

,,Ik heb nog nooit van mijn leven een lettergreep geteld. Maar het geheel moet wel een soort muziekje zijn. De tweede strofe is zachter dan de eerste waarin steeds gezegd wordt wat je níet moet. Dus het klopt wel dat die eerste strofe ruimte heeft voor een paar afgehakte regels, en de tweede niet.''

U enjambeert in die tweede strofe niet op de betekenis - een regel eindigt op `van', een andere zelfs op `onzicht-'.

,,Dat heeft met het metrum te maken. Je zou een heel ongelukkige laatste regel krijgen als je dat `onzichtbaar' helemaal op de voorlaatste regel zou zetten. En de klank speelt een rol: `veer' en `weer' rijmen op elkaar, `van' en `overkant' min of meer.''

`Onzicht-' is vrij drastisch.

,,Ja behoorlijk. Het is een muzikaal ingreepje. Het kan me hier kennelijk niets schelen dat het niets betekent - `onzicht' misschien nog wel, maar `baar' niet. Als ik het zou voorlezen zou ik op dat `zicht' toch iets langer aarzelen dan je normaal zou doen, ik zou wel laten horen dat het rijmt op `uitzicht'.''

In de laatste regel is de overkant dan toch ineens weer `lokkend', nadat hij eerst zo dreigend was.

,,Dat slaat heel sterk op die kinderen die dromen van later. In die zin klopte het met dat eerdere `opdoemen' - lokkend houdt ook een gevaar in, het gevaar op te gaan in het grote. John Donne zegt dat het onmogelijk is een eiland te zijn, hier pakt het ietsje arroganter uit, het is niet zo verplicht tot de gemeenschap te behoren. Het is natuurlijk een heel raar gedicht, omdat het maar uit twee sliertjes bestaat. Het eerste is: zorg dat je een eiland blijft, het tweede: zorg dat je wel van je eiland afkunt. Het gedicht begon met het staren naar een eiland voor de Portugese kust, en met de gedachte hoe aantrekkelijk een eiland is, zo op zichzelf. Het zal, zoals de postbode uit de film Il postino zegt, wel weer een metafoor zijn.''

Is de overkant altijd wat lokt?

,,Ja, ook. En als je echt wil kun je je zelfs voorstellen dat dit beeld een metafoor is voor het gedicht zelf: dat je dat eilandje van het gedicht heel wilt houden, afgerond, zelfstandig maar dat het zonder bepaalde verbindingen met de echte wereld niet gaat. Dan kan het net zo goed in de la blijven liggen.''