Billy en Moortje

Rudy Kousbroek bespreekt deze zomer een aantal dierenfoto's. Deze week de laatste, over apen.

Deze foto is eigenlijk oneigenlijk. Het zou het portret moeten zijn van een zekere Nederlandse arts op Sumatra, gezeten op zijn voorgalerij met een orang oetan in zijn armen. Dat is een tafereel dat ik als kind een keer heb gezien. Ik zie ons arriveren bij het huis van die dokter, zijn huisjongen die ons terwijl wij uit de auto stappen tegemoetkomt en waarschuwt, meneer is dronken. En de aap was ook dronken.

Het moet een diepe indruk op mij hebben gemaakt, onderdelen ervan zie ik nog wel eens in een droom. Er is geen manier om vast te stellen hoeveel er van klopt; het is namelijk de enige van mijn Indische jeugdherinneringen die ook bestaat in de gedaante van een Deli-legende, die zelfs na de oorlog nog wel gehoord werd: dokter K... die kon soms worden aangetroffen met zijn orang oetan genaamd Billy op een krossi malas (ligstoel), allebei laveloos. Er werd ook altijd bijverteld dat de dokter geen baboe in dienst kon houden, omdat deze zich zowel de dokter als de aap van het lijf moest houden. In die vorm is het verhaal ook te vinden in een van de boeken van Jan de Hartog, ik weet helaas niet meer welk en ik ken ook niemand die ik het kan vragen; er wordt in beschreven hoe de dronken dokter de dronken orang oetan in zijn armen wiegt en toespreekt met de woorden: `Billy mijn zoontje, Billy mijn zoontje.'

Toen ik in een vooroorlogs boek over dieren deze foto tegenkwam was ik wat de Fransen noemen foudroyé, als door de bliksem getroffen: waarachtig, dat waren de dokter en Billy zoals ik ze gezien had, het beeld kwam me onmiddellijk weer helder voor de geest, ingekleurd met het wit van de doktersjas en de rossige vacht van de aap. Het feit dat het dier op de foto helemaal geen orang oetan is, maar een gorilla, doet daarbij nauwelijks ter zake, dat wordt volkomen weggedrukt door het gevoel van herkenning.

Iets dat daarna ook in mijn herinnering terugkwam was dat de echte Billy een klapperdop had waar hij uit at of dronk, misschien wel de samsoe (palmwijn) die hem dronken had gemaakt. Billy kon overigens ook fietsen en roken en met een lepel eten.

Het beeld van Billy met zijn klapperdop roept op zijn beurt weer een andere herinnering op: de orang oetan in de dierentuin van Medan, een enorm dier met een breed vollemaansgezicht, heel anders dan Billy. Deze goedige kolos zag ik een keer in zijn kooi staan met een klapper in zijn hand. Niet een halve dop, maar een hele klapper, ontbolsterd maar ongeopend, dat wil zeggen met de noot, zo hard als een kanonskogel, nog intact. Hij stond er dromerig naar te kijken, zoals Hamlet met de schedel van Yorick, en terwijl hij dat deed zag ik barsten ontstaan in de noot: hij was bezig hem kapot te knijpen, achteloos, met één hand. Dat mag een idee geven van de enorme spierkracht van deze grote apen, die gemakkelijk een mens zouden kunnen doden als ze dat wilden.

Ook Billy, al was hij lang niet zo groot; hij moet nog jong zijn geweest. Dat was kort voor de oorlog: wat zou er van hem geworden zijn? Want ook deze geschiedenis zal wel de klassieke afloop hebben gehad, ik kan bijna een stem horen die zegt: `Hij moest weg want hij werd onhandelbaar'.

Dat is verweven met de omstandigheid dat de meeste wilde dieren, mensapen inbegrepen, veel menselijks hebben als ze jong zijn maar bij het ouder worden steeds meer in een vreemde veranderen - een drama waar nooit een gedicht of treurspel aan is gewijd, maar het is wel een echte tragedie, die zich in menige Indische familie moet hebben afgespeeld. Het heeft ook iets van een symbolische versie van `kinderen die opgroeien en het huis verlaten', alleen verbergt zich er niet zelden een dodelijke afloop achter. Die stem weer: `Ja, hij moest worden afgemaakt, een andere oplossing was er niet.'

Je probeert er niet aan te denken, maar ook aan de oorsprong van al die albumbladen met oerwoudbewoners in de gedaante van huisdieren verschuilt zich meestal een drama: het waren bijna altijd de overlevenden van een bloedige slachting (`jacht'. Ook op mensapen werd gejaagd), gewoonlijk een jong waarvan de moeder was gedood. Dat was de gebruikelijke toedracht met orang oetans die als huisdier of huisgenoot werden gehouden, en het was ongetwijfeld niet anders met ons wilde zwijn Jan, onze beer Thor, en andere dieren die tot onze menagerie behoorden.

Een orang oetan in huis?, riep mijn moeder als ik er weer eens om vroeg, dat is zoiets als een kind erbij. `En dan een die het hele jaar thuis is'. Toch hoopte ik als ik met vakantie thuiskwam altijd op een orang oetan. Ik was ervan overtuigd dat ik hem zou kunnen leren praten, maar we hebben er nooit een gehad. Wel gewone apen. Zo lang ik mij kan herinneren hadden wij tamme Lampong-apen aan de ketting, en ook halftamme die soms binnenkwamen en de stopfles met dodol openmaakten. Maar mijn moeder had wel de wind er onder: toen we eens een van deze dieren hoog in een boom zagen zitten met een Chinees beeldje, afkomstig van het dressoir, achteloos in een van zijn vier handen, beval zij hem woedend het onmiddellijk terug te brengen, en zowaar, hij kwam naar beneden en liet het zich afnemen. Ongelofelijk. Ik wilde hem toen een pisang geven, maar mijn moeder weerhield mij: dat zou een beloning zijn, dan doet hij het weer.

Dat vertrouwde beeld van een dak vol apen heb ik na de oorlog in Indonesië nergens ooit meer gezien.

Een van de apen die een tijd lang naast ons huis aan een ketting werd gehouden was een siamang, ook een antropoïde aap, maar veel kleiner dan een orang oetan. Hij, of beter gezegd zij, want het was een vrouwtje, was zwart, met een lief hartvormig gezicht; zij had armen zo lang en benen zo kort dat haar vingers de grond raakten als zij rechtop stond, en maakte droevige geluiden. In een lange passage van een eeuw geleden over siamangs, bij Van Balen (De dierenwereld van Insulinde), staat te lezen: `De Maleiers meenen dat Siamangs niet kunnen drinken zoals andere apen, en wel tot straf van eene door hen begane zonde', en `hunne behendigheid bij het klimmen is verwonderlijk doch op den grond zijn het volkomen hulpeloze dieren'. Beide observaties ben ik geneigd in twijfel te trekken: onze siamang Moortje dronk uit een beker, en er zijn zelfs nog foto's van hoe zij met mijn moeder door de tuin loopt.

Van Balen citeert ook een zekere Van Hasselt, die zegt: `Gewoonlijk zijn Siamangs in gevangenschap niet opgewekt. Ik heb er meermalen gehad, die steeds droefgeestig waren en blijkbaar heimwee hadden naar hunne bosschen en kameraden. Uiterst zelden houdt men een Siamang in gevangen staat langen tijd in leven.'

Mijn ouders moeten er ook zo over hebben gedacht, want na verloop van tijd gaven ze Moortje haar vrijheid terug en zij verdween het bos in. 's Morgens en 's avonds luisterden we naar het huilen van de siamangs in het bos, en vroegen ons dan af of we de stem van onze Moortje konden herkennen.

Zo ging er meer dan een jaar voorbij, en toen, bij het vallen van de avond, was er gerucht in de tuin. Mijn moeder ging kijken en zowaar, het was Moortje, die in haar armen sprong en zich aan haar vastklampte. Maar er was iets niet in orde, aldus mijn moeder, zij verspreidde een nare lucht, bijna niet uit te houden. En een uur later was ze dood. `In mijn armen gestorven', besloot mijn moeder altijd als ze het verhaal vertelde. Ook dit was een episode die zich afspeelde terwijl ik op het internaat was. De doodsoorzaak was naar het schijnt een dood embryo.

PS: de oneigenlijke foto van Billy komt uit De taal der dieren door G. de Josselin de Jong (Van Kampen 1937), een opmerkelijk boek, heel modern voor die tijd, een Gerald Durrell avant la lettre. De foto werd gemaakt in de dierentuin van Berlijn.