Altijd maar getuigenis afleggen

Wat was 8 mei 1945, de dag van de capitulatie, voor Duitsland en de Duitsers? Een bittere nederlaag, hoe wenselijk op zichzelf ook? Zoals bijvoorbeeld de schrijver Martin Walser schrijft en zegt (`maar de geschiedenis kwam niet tot stilstand'). Of was die dag `een bevrijding', een opmaat naar een nieuw en democratisch begin in Europa, een afscheid ook van nationalisme en gevaarlijke romantisering van de Duitse natie? In plaats daarvan Verfassungspatriotismus, met de grondwet en zijn democratische normen als ijkpunt met veel meer dan alleen juridische betekenis? Zoals oud-president Richard von Weizsäcker, de links-liberale filosoof Jürgen Habermas, en in het algemeen de Duitse linkse intelligentsia, het zagen en nog wel zien. Of had er `na Auschwitz' zelfs geen zelfbeschikking of soeverein Duitsland meer mogen zijn, was de Duitse deling een zó gerechtvaardigde straf dat de staatkundige eenwording van 1990 er niet had mogen komen? Zoals de schrijver Günter Grass nog steeds vindt, zij het langzamerhand als één van zeer weinigen.

Als Duitsers debatteren, doen zij dat grondig. Hun debat over Auschwitz en Hitlers Derde Rijk, over de nationale identiteit na de Tweede Wereldoorlog, over de `verwerking' van de zwartste bladzijden van de Duitse geschiedenis, is al ruim een halve eeuw zoiets als een harde verbale oorlog. De eenwording, nu elf jaar geleden, heeft sommige thema's weliswaar wat naar de achtergrond gedrukt (zoals uiteraard dat van de Duitse deling), maar op zijn weg naar een `normale', bij zijn omvang, potentie en geografie passende plaats in Europa, heeft Duitsland weer andere thema's zien ontstaan. Die thema's – de rol van het leger bij internationale crisisbeheersing, het migratievraagstuk en de multiculturele samenleving en de toelaatbaarheid van bio- en gentechnieken bijvoorbeeld – kunnen Duitsers echter evenmin bespreken zonder koppeling aan de `schande van hun geschiedenis' (Walser).

In de beperking

Gegijzeld door het verleden, een publicatie van het Duitsland Instituut te Amsterdam, geeft aan `een breed publiek zonder speciale voorkennis' een overzicht van zulke bittere Duitse controverses in de afgelopen vijftien jaar. Dat gebeurt in twaalf hoofdstukjes, van bijna allemaal circa twintig pagina's, geschreven door een collectief historici. In der Beschränkung zeigt sich der Meister, zegt het spreekwoord, dat op de meeste hoofdstukjes van toepassing is. Ook op de inleiding trouwens, die de beide redacteuren, Patrick Dassen en Ton Nijhuis, voor hun rekening hebben genomen. Hun inleiding compenseert enigszins dat het boek zelf pas in het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw begint. De thema's variëren van onder meer de heftige Historikerstreit (was Stalins Goelag even ernstig als Hitlers Auschwitz en maakt dat de misdadigheid van het nazisme minder uniek?), via de SPD en de rol van het Duitse leger bij internationale crisisbeheersing naar het Botho Strauss-, het Goldhagen-, het Sloterdijk- en het Walser-Bubis-debat.

Hier en daar moet het brede publiek toch nog flink op de tenen staan. Maar dat is geen verwijt aan de auteurs. Sommige affaires – zoals die rondom Strauss' conservatief-romantische Spiegel-essay Anschwellender Bocksgesang (1993, een pleidooi voor een antirationele, mystieke tegencultuur) of Sloterdijks lezing `Regels voor het mensenpark' (1999, over het einde van het humanisme als `mensentemmer' in de tijd van de verafschuwde massamedia) - zijn nu eenmaal in zichzelf ingewikkeld en bovendien vaak, soms moedwillig, in zwaar en duister Duits gevat. Halverwege Nietzsche en het moderne Betroffenheits-Duits, zou je kunnen zeggen.

Enigszins buiten het bestek van het boek, want slechts in kleinere kring spraakmakend als thema, valt het hoofdstuk van Chris Lorenz over historici en het nationaal-socialisme. Maar juist dat knap geschreven hoofdstuk is een eye-opener. Het maakt duidelijk hoezeer grote Duitse historici heel verschillende sporen trokken voor en na 1945, eerst in coöperatie met Hitler (onder meer in de Ostforschung) en later in confrontatie met hem, na `een stevige opknapbeurt achteraf' van hun curriculum. Steeds duidelijker wordt sinds kort ook hoe angstig hun vandaag soms zelf beroemde leerlingen in de academische wereld van de jaren vijftig, zestig en zeventig omgingen met hun wetenschap daarover, als in een Kartell des Schweigens.

Heropgevoed

Mooi detail in dit verband: een groep historici die voor 1945 voor Hitler aan zulke Ostforschung had gedaan kreeg na de oorlog van de Bondsregering, van minister Oberländer (zelf een oud-collega), een curieuze opdracht. Namelijk om met het oog op toekomstige onderhandelingen in een serie boekdelen te rapporteren hoe de verdrijving van Duitsers uit vroegere Duitse gebieden in Midden- en Oost-Europa aan het einde van de oorlog verlopen was. Lorenz besluit zijn hoofdstuk droogjes met de conclusie dat er op grond van zulke ervaringen ook anno 2001 voor historici `goede redenen zijn nog wat langer over het idee van ``beleidswetenschap' na te denken'.

Goed bevalt ook het hoofdstuk `Geweten en vergeten', waarin Paul Scheffer het Walser-Bubis-debat beschrijft en van een oordeel voorziet. Uiteindelijk valt dat oordeel uit ten gunste van Walsers afkeer van de `instrumentalisering van Auschwitz' en diens verzuchting: `Altijd maar getuigenis afleggen dat we echt ``heropgevoed' zijn, nee, zo houden we de wereld voor de gek.' Misschien heeft Scheffer zijn willige Walser overigens ook wel een beetje gebruikt om te beklemtonen dat het sinds de eenwording gewenst en eigenlijk vanzelfsprekend is dat Duitsland `beetje bij beetje' opschuift naar `normalisering'.

Zelfrespect kan niet door de overwinnaar worden verleend en je krijgt dat ook niet door, zoals Weizsäcker probeerde, van 8 mei 1945 een bevrijdingsdag te maken en zo in de buurt van de overwinnaars te komen, zegt Scheffer Walser na.

Wij moeten het nu juist hebben van die `gewone' Duitsers, 82 miljoen achter onze oostgrens. Met al hun gemakken en ongemakken, hun soms hard-romantische ruzies en hun streven naar normalisering in een Europa, dat hen niet meer kan of wil `wegintegreren' maar mede van hen juist leiding verwacht. Onze vooral posterieur ontwikkelde verzetsrol is voorbij sinds de koningin en de premier een paar jaar geleden hardop zeiden dat de Nederlanders tijdens de oorlog toch niet voor 110 procent illegaal werk deden.

Intussen discussiëren we, zachtjes in de polder, over ons eigen grijze verleden. Duits lezen en spreken doen we inmiddels slecht, wat echter niet meer als verlate verzetsdaad telt maar in het verkeer met onze grootste handelspartner/buurman onpraktisch blijkt. Gegijzeld door het verleden is ook daarom de moeite waard, al blijft het de vraag of dat beoogde brede publiek zichzelf het genoegen van zo'n boek gunt.

Patrick Dassen en Ton Nijhuis (red): Gegijzeld door het verleden. Controverses in Duitsland van de Historikerstreit tot het Sloterdijkdebat. Boom, 267 blz. ƒ45,–