Als woestijnmens van bosmens houdt

In 1937 verscheen in Wenen een opvallende roman, Ali en Nino, een liefdesgeschiedenis van een moslimjongen en een christelijk meisje in Azerbajdzjan rond de Eerste Wereldoorlog. Het boek werd een succes, gezien het thema nogal opmerkelijk, zo kort voor de Anschluss. De naam van de schrijver, Kurban Said, was volslagen onbekend. Het boek raakte in de oorlog vergeten, werd in de jaren vijftig herontdekt, verscheen eind jaren zeventig al eens in een Nederlandse vertaling, maar pas onlangs meende de Amerikaanse journalist Tom Reiss te kunnen zeggen wie er achter het pseudoniem schuilging. Hij beschreef zijn ontdekkingsreis in The New Yorker van 4 oktober 1999.

Kurban Said was de destijds beroemde schrijver Essad Bey, een kleurrijke figuur die zich voordeed als een Kaukasische edelman, en die in Berlijn, Wenen en Italië in kringen van vooraanstaande ballingen verkeerde. Door zijn antibolsjewistische opvattingen en zijn waarschuwingen tegen het moslimfundamentalisme raakte hij zelfs een tijdje geliefd in kringen rond Goebbels en Mussolini. Maar de werkelijke naam van Essad Bey was Lev Nussimbaum - en hij was joods.

Excentriek

Nussimbaum werd in 1905 geboren in Bakoe, de hoofdstad van Azerbajdzjan, dat deel uitmaakte van het Russische rijk, en vluchtte in 1920 met zijn vader naar Berlijn om aan de bolsjewieken te ontkomen. Hij bekeerde zich tot de islam en nam een nieuwe identiteit aan. De oorlogsjaren bracht hij door in het Italiaanse Positano, tot aan zijn dood in 1942. Nooit heeft hij geprobeerd aan de nazi's te ontkomen door een onopvallend leven te leiden. Integendeel, hij wist door zijn excentrieke verschijning juist lange tijd zijn echte identiteit verborgen te houden.

Essad Bey stond bekend om zijn politieke analyses, om zijn romantische liefdesverhalen en om zijn kleurrijke beschrijvingen van de Kaukasus. Als Kurban Said heeft hij een roman geschreven waarin deze elementen een samenhangend geheel vormen. Ali en Nino is een schitterende, ontroerende liefdesroman, maar ook een boek waarin overtuigend wordt beschreven hoe diep de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie hebben ingegrepen in het bestaan van een land en een volk. Daarbij kloppen de beschrijvingen tot in de details, zeg ik op gezag van het tijdschrift Azerbaijan International (zie www.azer.com). Ali en Nino is in Azerbajdzjan dan ook een nationaal epos geworden.

Ali en Nino begint in het eerste decennium van de twintigste eeuw, als de verteller en mannelijke hoofdpersoon Ali Khan Shirvanshir, telg uit een voornaam Azerbajdzjaans geslacht, in de derde klas zit van het Keizerlijk Russisch Humanistisch Gymnasium van Bakoe. De leraar, een Rus, betoogt dat Bakoe op de grens ligt van Europa en Azië. `Het hangt dus in zekere zin van jullie gedrag af, beste kinderen, of onze stad bij het vooruitstrevende Europa of bij het achtergebleven Azië behoort.' Hij is oprecht verbaasd als een deel van zijn leerlingen aangeeft liever Aziatisch te blijven.

Deze tegenstelling tussen Oost en West loopt als een rode draad door het boek, en wordt in de eerste plaats belichaamd door de beide hoofdpersonen, de islamitische Ali en zijn vriendinnetje Nino Kipiani, afkomstig uit een, eveneens voorname, christelijke Georgische familie. Zij zit op het meisjeslyceum en is `het mooiste meisje van de wereld'. Zij zegt: `Ali Khan, je bent dom. Godzijdank zijn we hier in Europa. Waren we in Azië, dan droeg ik al lang en breed een sluier, en dan zou je mij niet kunnen zien.'

Vijf jaar later doet Ali eindexamen en maakt hij trouwplannen met Nino. Er heerst op dat moment een tolerant klimaat in het land. Maar er is een troebele onderstroom. Armeniërs en Georgiërs zijn bosmensen, zegt een oude man tegen Ali, terwijl oosterlingen woestijnmensen zijn. De woestijnmens heeft één gevoel en één waarheid, de bosmens stelt vragen en heeft vele gezichten. Nino vreest de woestijnmens in Ali: `Ik ben altijd bang dat je over tien jaar vroom zult worden en listig. [...] Neem me niet kwalijk, Ali Khan. Ik hou van je, gewoon van jou, zoals je bent, maar ik ben bang voor de wereld waarin je leeft'.

Toch is de liefde van Ali en Nino onverwoestbaar. Dat is voelbaar in alles wat Ali over Nino vertelt. In zijn vertedering om de manier waarop ze zich beweegt, waarop ze lacht, boos, bang is. In zijn machteloosheid om de dingen die haar ongelukkig maken. In zijn bezorgdheid als ze in gevaar is. In de combinatie van ernst en speelsheid waarmee ze met elkaar omgaan, al vanaf het moment dat Ali bij Nino in de klas onder de bank kroop om haar wiskundeformules voor te zeggen. Hoewel het boek vele kwaliteiten heeft, is het vooral de tastbaarheid van de liefde van de hoofdpersonen voor elkaar die het onvergetelijk maakt.

Die liefde krijgt heel wat stormen te trotseren. De Eerste Wereldoorlog lijkt aanvankelijk een onderonsje van verre Europese landen, maar heeft indirect grote gevolgen als een Armeense vriend van het inmiddels verloofde paar een Turkse overwinning in het verschiet ziet en besluit dat zijn toekomst én die van Nino niet in de Kaukasus liggen. Het is ironisch dat juist degene die zich afkeert van de islam, doet wat Nino altijd vreesde van moslimjongens: hij ontvoert haar. Maar wel met een westers middel: de auto. Daarmee kom je echter niet ver in de Kaukasus: hij loopt vast op een zandpaadje.

Ali en zijn vrienden tonen zich echte woestijnmensen: ze gaan hem te paard achterna. Ali doodt zijn rivaal en vlucht naar een bergdorpje om te ontkomen aan de eerwraak van diens familie. Typerend voor de complexe verhoudingen is dat juist Ali's fundamentalistische vriend, die hem eerder aanraadde ook Nino te doden, haar nu bij hem brengt omdat hij begrijpt dat Ali wegkwijnt zonder haar. Hij is zelfs bereid hen ter plekke te trouwen. Dan breekt voor Ali en Nino een gelukkige periode aan, waarin niemand hun de wet voorschrijft.

Maar aan deze idylle komt een eind. Ali wordt teruggeroepen om tegen de communistische Russen te vechten en vlucht vervolgens met Nino en zijn vader naar Perzië. Hier komen de tegenstellingen tussen Oost en West, tussen Ali en Nino, het duidelijkst aan het licht. Nino voert een verbeten en erg grappig beschreven strijd met de eunuch die haar moet bewaken. Ali beseft dat het achtergebleven Perzië bezig is in schoonheid te sterven. Toch voelt hij zich er thuis. Dat blijkt tijdens een processie waarbij vrome moslims zichzelf geselen. Door een vreemde macht gedreven voegt Ali zich bij hen. Nino vindt dat onverdraaglijk. Zolang ze in Perzië blijven, zal ze Ali haten, hetgeen haar overigens niet belet van hem te houden.

Een nieuwe episode breekt aan als Azerbajdzjan onverwachts onafhankelijk wordt. Opeens is er behoefte aan mensen die westerlingen in stijl kunnen ontvangen. Nino toont zich een volleerde gastvrouw. Maar nu voelt Ali zich weer ongemakkelijk. Hij beseft bovendien dat een republiek zonder bondgenoten een geringe levenskans heeft.

Gecompliceerde wereld

Het boek eindigt tragisch op de brug van Gandzja, waar Ali de jonge republiek tegen de Russen verdedigt. Azerbajdzjan valt in handen van het Rode Leger, en zoals wij inmiddels weten, was daarmee de ellende nog lang niet afgelopen.

Op het eerste gezicht lijkt het verbazingwekkend dat een excentrieke jood uit Berlijn in staat is om de gecompliceerde wereld van de Kaukasus zo overtuigend van binnenuit te beschrijven, om zulke levensechte personages te creëren. En dus geen pseudo-oriëntaalse fantasiefiguren zoals westerlingen zich die voorstellen - en zoals de schrijver zich als Essad Bey zelf graag voordeed. Maar waarschijnlijk had Lev Nussimbaum precies de goede combinatie van betrokkenheid en distantie om een authentiek beeld te scheppen van de wereld uit zijn jeugd in Bakoe, en tegelijkertijd scherp te analyseren hoe die kleurrijke beschaving op het snijvlak van Oost en West ten onder ging. En daarbij een liefdesverhaal te vertellen zoals er maar weinig bestaan in de wereldliteratuur.

Kurban Said: Ali en Nino. Roman. Vertaald uit het Duits door Gerda Meijerink. De Bezige Bij/Manteau, 280 blz. ƒ39,90