Ministers maken tripje naar Atjeh

De strijd in Atjeh duurt onverminderd voort. Een kabinetsdelegatie bezocht 's lands gevaarlijkste provincie.

Een woordvoerder van de separatistische Beweging Vrij Atjeh (GAM) noemde het een ,,toeristisch uitstapje'', maar zo zag het er niet uit. Het reisgezelschap werd geëscorteerd door vrachtwagens vol militairen, onder wie springstofexperts, en politiehelikopters. Acht ministers uit het kabinet van president Soekarnoputri, vergezeld door de chef-staf van het leger, de landelijke politiechef en het hoofd van de staatsveiligheidsdienst, brachten gisteren een werkbezoek aan Atjeh, 's lands gevaarlijkste provincie.

De groepsreis was vooral een politiek signaal: eenderde van het nieuwe kabinet gaf acte de présence. De laatste keer dat een bewindsman Atjeh aandeed, was in maart. De minister van Energie en Mijnbouw bezocht toen het grote aardgasveld in Noord-Atjeh, dat wordt geëxploiteerd door het Amerikaanse Exxon-Mobil, en zijn helikopter werd beschoten door GAM-strijders. Dit deed voor de Amerikanen de deur dicht. De gaswinning werd vier maanden stilgelegd, wat Indonesië van een belangrijke deviezenbron beroofde.

Op 11 april gaf president Wahid leger en burgerbestuur bij decreet opdracht ,,in Atjeh de orde te herstellen''. Sindsdien zijn 6.000 militairen naar Atjeh gestuurd. Op 1 juli werden de slepende onderhandelingen tussen GAM-leiders en Indonesische diplomaten gestaakt en kort daarop werden zes GAM-onderhandelaars in de provinciehoofdstad Banda Atjeh opgepakt wegens vervalsing van paspoorten.

De verse troepen hebben in Atjeh enkele successen geboekt. Het GAM-leger, volgens onafhankelijke waarnemers zo'n 2.000 man sterk, is goeddeels verdreven uit twee van zijn bolwerken, Pidie en Noord-Atjeh. De leiding van de GAM is deels gesneuveld, deels uitgeweken, of ondergedoken in Banda Atjeh. In juli achtte Exxon-Mobil de kust veilig om de aardgaswinning te hervatten.

Ook aan het politieke front is vooruitgang geboekt. Op 19 juli keurde het parlement unaniem de ontwerpwet op Speciale Autonomie voor Atjeh goed. De komende acht jaar mag Atjeh 70 procent van de olie- en aardgasbaten houden. Vijf jaar geleden was dat nog 5 procent. De gouverneur van Atjeh en alle regenten zullen voortaan door de Atjehers worden verkozen en bij de keuze van de politiechef en de procureur-generaal van Atjeh krijgt het provinciebestuur het laatste woord. Ook de media kregen meer lucht. De enige krant van Atjeh, Serambi Indonesia, die sinds 1998 onophoudelijk werd geterroriseerd en alleen nog GAM-gezinde verhalen publiceerde, vatte moed en begon te berichten over bloedige excessen begaan door GAM-eenheden.

In 1998 trok de toenmalige president Habibie de meeste troepen terug uit Atjeh, dat in de voorafgaande acht jaar bekneld was geraakt tussen GAM-guerilla's en legereenheden die de burgerbevolking niet ontzagen. Zo ontstond een vacuüm waar de GAM indook, inspelend op de volkswoede over militaire excessen uit het verleden. De beweging hield driekwart van de provincie onder de duim met sluipmoorden op 'verraders'. Murw door het aanhoudende geweld verloren de Atjehers hun belangstelling voor politieke concepten als 'onafhankelijkheid' en 'nationale eenheid'. Ze zijn intussen alleen nog geïnteresseerd in rust en veiligheid. De coördinerende bewindsman van Politieke en Veiligheidszaken, generaal bd Susilo Bambang Yudhoyono, die gisteren als 'reisleider' optrad, lijkt zich hiervan bewust. Hij riep de militairen ter plaatse op ,,het hoofd koel te houden in confrontatie met de rebellen, de professionaliteit voortdurend te verhogen en zichzelf in de hand te houden als de druk te velde oploopt''.

De GAM laat intussen haar ware gezicht zien. In het bergachige regentschap Midden-Atjeh vermoordde ze in mei en juni 127 koffieboeren, afstammelingen van Javaanse transmigranten, en staken 400 huizen in brand. Op 5 augustus ontvoerde een GAM-eenheid drie verslaggevers van de staatstelevisie TVRI. Op 9 augustus viel de GAM in Oost-Atjeh, een streek met uitgestrekte palmolieplantages, een legereenheid aan. Kort daarop werden 31 plantage-arbeiders – merendeels van Javaanse afkomst – vermoord door een gewapende groep. De GAM gaf het leger de schuld, maar een Atjehse mensenrechtenorganisatie stelde vast dat deze moorden zijn begaan door GAM-strijders. Op 11 augustus legde de GAM Serambi Indonesia een verschijningsverbod op, onder dreiging met moord en brandstichting, omdat de krant de plantagemoorden had toegeschreven aan de 'beweging'. De Atjehers hebben tijdens het Soehartobewind zwaar geleden onder legeroperaties tegen de separatisten. Die traumatische ervaring gaf de GAM tijdelijk de wind in de zeilen, maar als het leger zich ditmaal weet te gedragen, zal menige Atjeher deze 'vrijheidsstrijders' de rug toekeren.