En niemand lachte

Over familieportretten, kiekjes van stadsgezichten en ander oud fotomateriaal valt heel wat te zeggen. In Amsterdam worden dit weekeinde bijeenkomsten gehouden waar iedereen foto's uit de periode 1840-1950 kan voorleggen aan experts.

Met oom Jan in mijn tas reis ik naar Amsterdam. Ik ken hem eigenlijk nauwelijks; lang voordat ik werd geboren, was hij al overleden, al weet niemand meer wanneer dat nou precies is gebeurd. Van oom Jan weet ik alleen dat hij een oudere broer van mijn oma was, geboren werd rond 1890, dat hij altijd vrijgezel is gebleven, de kost verdiende als timmerman, wat varkens hield en inwoonde bij een van zijn zusters, in een dorpje op de Zuid-Hollandse eilanden. En dat hij scheel keek. En niet zo'n beetje ook.

Oom Jan is vermoedelijk nooit eerder in Amsterdam geweest. Dat hij van zijn eiland helemaal naar Rotterdam reisde om zich bij de firma Van Dorp in de Kipstraat aldaar te laten fotograferen, is waarschijnlijk al een onderneming van formaat geweest. Al heeft hij mogelijk mondaine trekjes gehad, want in zijn naar schatting 60-jarige leven is hij aantoonbaar driemaal bij een fotograaf geweest om zijn beeltenis te laten vastleggen. Wat vrij veel was voor een timmerman.

Veel veranderde oom Jan niet in de loop der jaren. Hij werd wat kaler, maar zijn slecht gestreken pak, zijn snor en de half opgebrande sigaar in zijn linker- dan wel rechterhand bleven onveranderlijke ingrediënten van zijn portretten. Net als zijn scheelheid.

,,Standaardfoto uit het begin van de 20ste eeuw. Niets bijzonders'', oordeelt Hans Rooseboom, conservator fotografie van het prentenkabinet van het Rijksmuseum in Amsterdam, als hij het portret van oom Jan onder ogen krijgt. ,,Alleen die sigaar is een beetje gek.'' Op basis van de afdruktechniek, de briefkaartprint op de achterkant en het zuiltje waarop ooms vuist rust - volgens de overlevering miste hij minimaal één vinger, maar daarvan is op de foto niets terug te vinden - vermoedt Rooseboom dat de foto tussen 1910 en 1920 is gemaakt. Aan het eenvoudige naamstempeltje van de fotograaf, op de achterkant, valt af te lezen dat de dorpstimmerman geen dure studio's bezocht.

Rooseboom is een van de experts die op 25 en 26 augustus in de Nieuwe Kerk in Amsterdam aanwezig zal zijn op de zogeheten fotokijkochtenden, waar een ieder foto's uit de periode 1840-1950 kan laten beoordelen. Steden en dorpen, arbeiders en notabelen, afdrukken en negatieven, alles kan door de aanwezige deskundigen van onder meer het Amsterdams Gemeentearchief, het Nederlands Fotoarchief en het Prentenkabinet in Leiden worden beoordeeld op datering, technische waarde en restauratiemogelijkheden. ,,Als foto-instituten hebben we er belang bij dat mensen zorgvuldig met hun foto's omgaan, omdat ze een tijdsbeeld geven'', aldus Rooseboom, die amateuropnames doorgaans interessanter vindt dan studioportretten. ,,Die kiekjes in familiekring geven een idee hoe men verjaardagen of vakanties vierde en laten zien hoe interieurs er uit zagen. Studio-opnamen zeggen bijna niets over mensen. De attributen van de fotograaf waren doorgaans identiek: een stoeltje, een tafeltje om tegen te leunen - stilstaan was geboden wegens de secondenlange belichtingstijd - en een kitscherige achtergrond die moest suggereren dat men in de bergen, aan zee dan wel in een weelderige tuin had vertoefd. Verder had iedereen zijn zondagse pak aan, keek men langs de fotograaf heen en lachte niemand.''

Rooseboom vist een amateurfotootje van de Dorpsstraat van oom Jans woonplaats uit mijn collectie. Een groot deel van het plaatje wordt gevuld door klinkers. Links tegen de gevel een man met hond die vermoedelijk buiten beeld wilde blijven. Heel in de verte een echtpaar op de rug en een ponykar. Maar het meest in het oog springend zijn de schaduwen van drie hoofden op de straat: die van de fotograaf en twee toeschouwers. ,,Een snapshot avant la lettre'', legt Rooseboom uit. ,,Gefotografeerd vanaf buikhoogte, omstreeks 1920. Het is volstrekt onduidelijk wat de fotograaf wilde vastleggen. Als het inderdaad om zijn ouderlijk huis ging, rechts, dan is deze foto mislukt, want dat staat er slecht op. En die drie hoofden waren natuurlijk ook niet de bedoeling. Maar door het klinkerpatroon en de gevelrijen zit er wel vaart in de foto.''

Verder bladerend in het familiealbum waar de foto's in voorgevormde passepartouts konden worden geschoven: ,,Dit type fotoboek is standaard vanaf 1880. Een gedecoreerde leren kaft, een soort slotje en goud op snee bladzijden. Voorin zaten vaak portretten van het vorstenhuis, daarna kwamen de familieleden en vrienden. Maar ook beroemdheden zoals Nicolaas Beets en Multatuli, en notabelen zoals de dominee kregen een plekje in menig album. Die kocht je gewoon bij de plaatselijke boekhandel.''

Rooseboom herschrijft de familiegeschiedenis als hij constateert dat een portret van mijn grootouders met hun kind in 1929 in de Gale's Studio's in Engeland is gemaakt: op de achterkant staat een briefkaartprint met uitsluitend Engelse tekst. ,,Dat maakt het uiterst onwaarschijnlijk dat deze foto in Nederland is gemaakt'', aldus de conservator. ,,Gale's was een vrij gerenommeerde firma waarvan alleen foto's uit Engeland bekend zijn.''

Het is even wennen. Mijn grootouders, voor wie de wereld werd begrensd door pakweg Scheveningen en Valkenburg, in Engeland? Terwijl ze geen woord over de grens spraken? Naar een Engelse fotograaf om zich te laten portretteren?? Net als het vraagstuk rond oom Jans afgezaagde vinger die er op de foto gewoon weer aan zit, zal ook dit familieraadsel wel nooit meer worden opgelost.

Fotokijkochtenden, 25 en 26 aug van 10-13u in de Nieuwe Kerk, Dam, Amsterdam. Inl 070-3537025.