Een zeemanshart, gebroken hart

Het wordt tijd dat het tragische verhaal van Rob Krijt, bijgenaamd Rob de Zeeman, wordt verteld. Hij overleed dezer dagen tien jaar geleden, alleen en eenzaam. Beter gezegd: hij crepeerde in zijn vervuilde, door stapels kranten en oudroest schier ontoegankelijk geworden bovenwoninkje in de Amsterdamse Transvaalstraat.

Rob stierf aan een door liefdesverdriet gebroken hart. Zoiets komt niet veel voor. Familie had hij niet, niemand kan dus gekwetst worden door de volgende bijzonderheden.

Ik leerde hem kennen via mijn bejaarde vader die een passie had voor zee en schepen, vooral grote schepen. Rob kwam hieraan graag tegemoet met zijn lange, ver uitgesponnen zeemansverhalen, traag en lijzig verteld. Hij was stuurman op de grote vaart, stuurde maanden achtereen tankers, mammoettankers zelfs van de Filippijnen naar Tokio en terug, boog wel eens af naar Jakarta of naar Singapore. Hij verdiende veel geld en gaf vrijwel niets uit. Aan de wal kocht hij mooie cadeaus voor zijn vrienden.

Ik raakte met hem bevriend en kwam er al vrij snel achter dat Rob de Zeeman met al zijn verhalen een façade optrok waarachter een vervelende werkelijkheid schuilging. Hij haatte het varen, was op elke reis opnieuw zeeziek en had onderweg spaarzaam contact met de rest van de bemanning, die hem maar een vreemde vogel vond. Rob was weinig geïnteresseerd in drank en vrouwen en miste daardoor enkele belangrijke gespreksonderwerpen aan boord. Hij kon moeilijk aan zijn medeschepelingen kwijt dat hij kunstenaar wilde zijn. Hij wilde schrijven, schilderen, liedjes componeren en ook zingen. Met het varen, zo was zijn streven, zou hij genoeg geld verdienen om het aan de wal een tijdje te kunnen uithouden en dan zijn kunstenaarschap te bewijzen.

De dag kwam inderdaad dat hij afmonsterde en een mooie, ruime kamer, begane grond aan de Amstel, betrok. Hij maakte er een woonatelier van en leefde er genoeglijk tussen zijn snel groeiend oeuvre.

Rob wist, maar zou nooit toegeven, dat hij weliswaar veel kon en creatief was maar dat zijn geschrijf en geschilder net niet goed genoeg waren. Het zou ook nooit iets worden.

Zijn geld raakte op en hij monsterde op de kustvaart. Korte reizen, goed geld. Maar ook weer zeeziekte en het stampen op de zee, die hij verafschuwde. Opnieuw betrok hij aan de wal zijn eenzame positie achter de schildersezel. Wat later kreeg hij een baantje als belichter bij televisieopnamen. Als zodanig assisteerde hij bij de opnamen voor een kinderserie die door een Engelse ploeg in ons land werd gemaakt. Het was een klus van enkele maanden.

De hoofdrol was in handen van Pamela, een niet meer zo piepjonge, forse schoonheid, die wel wat zag in de bijna twee meter lange belichter met zijn zeemans-Engels. Rob was een mooie, sterke kerel die overigens tot dan toe nauwelijks iets met vrouwen had gehad.

Met Pamela betrad Rob de hemel. Avonden lang heeft hij mij en ook een met hem bevriende schildder, die om de hoek aan de Transvaalkade woonde, over Pamela en zijn liefde voor haar zitten vertellen. De schilder maakte intussen schetsen die hij later tot idioot verwrongen, surrealistische monsterkoppen zou verwerken. In olieverf, Rob vond het prachtig.

Hij kwam ook met Pamela op bezoek. Ik moest haar fotograferen in een door Rob vastgestelde regie. Pamela alleen, hij en Pamela samen, hele en halve close-ups, portretten ten voeten uit. Toen al bekroop mij het angstige voorgevoel dat het radicaal mis zou gaan.

Ten onrechte, zo leek het aanvankelijk. Rob woonde geruime tijd in Londen met haar samen. Daarna kwam ze met enige regelmaat naar Amsterdam.

In een zijkamertje van zijn etage had Rob een soort kapel rondom zijn geliefde ingericht. Aan de muren bij het schrijfbureau rijen portretten van Pamela. Mijn foto's waren het, één ervan had hij laten `opblazen' tot ongeveer een meter in het vierkant. Rondom deze foto lampen, zoals in de kleedkamers van acteurs rondom hun spiegels. Ook daar moest ik hem fotograferen. Trots en gelukkig staat hij er op, hij was `in Pamela'.

Uiteindelijk gebeurde het onvermijdelijke. Rob kwam het op een avond zelf vertellen. Pamela was plotseling getrouwd met een Australische zakenman. Ze verwachtte een kind en was met haar man naar de andere kant van de wereld vertrokken.

Merkwaardig genoeg was Rob niet al te verslagen. Hij wist zeker, zo vertelde hij, dat het kind van hem was. Bij hun laatste ontmoeting in Londen was het gebeurd: ,,Zo iets voel je!''

Hij zou, zei hij, Pamela en zijn (Robs) kind uit de klauwen van de Australiër gaan bevrijden. De schildersvriend en ik probeerden hem met al onze overtuigingskracht van zijn voornemen af te brengen. Tevergeefs. Met op de kustvaart snel verdiend geld vertrok hij. Wat er zich in Australië heeft afgespeeld zijn we nooit te weten gekomen, maar het laat zich raden. Rob heeft er ons nooit iets over verteld. Sterker nog: Rob heeft nooit meer met ons gesproken. Met ons niet en met niemand niet. Doordat hij hem in de buurt zag rondlopen wist de schilder dat hij weer terug was.

Op aanbellen, telefoneren, brieven reageerde hij niet. Rob trok zich terug in zijn ongeneeslijk verdriet en werd een zonderling, die tenslotte dood werd aangetroffen op het bed dat midden in zijn huiskamer tussen bergen troep stond. De sociale dienst had er meer dan één container voor nodig om de woning te ruimen.

De schilder had zich belast met de laatste zorg. Van hem hoorde ik dat alleen het zijkamertje van de etage keurig was opgeruimd, Pamela's kapel was in stand gebleven.

Rondom Robs graf stonden de klasgenoten van de Zeevaartschool in Delfzijl. Dat was mooi.