Een vette en vlezige combinatie

Steve Turre is al tientallen jaren een toonaangevend jazztrombonist en een beroemd schelpblazer. Op zijn laatste album laat hij het zee-instrument achterwege. De trombone kan wel wat extra aandacht gebruiken, vindt hij.

,,Zal ik mijn gorillapak even aantrekken?'' vraagt Steve Turre (52), terwijl de fotograaf probeert zijn karakteristieke 'Ming de Wijze'-sik en halve meter lange vlecht in het tegenlicht te vangen. Hij draait zijn gezicht naar de lens, trekt zijn schouders op en fronst als een geconstipeerde holbewoner. Breeduit lachend: ,,Het is de look die ik normaal bewaar voor de New-Yorkse metro. Houdt iedereen lekker op afstand.''

Het is een van de zeldzame momenten waarop de Amerikaanse blazer zich een grapje veroorlooft. Turre is namelijk een serieus man, om niet te zeggen `een gedistingeerde heer'. Met zijn dure two-tone schoenen, pinkring met grote, paarse edelsteen, gouden dasspeld en glanzend maatkostuum is hij `every inch a jazzprofessional'. Als hij spreekt over zijn net uitgebrachte album TNT straalt hij de natuurlijke autoriteit uit van iemand die het podium heeft gedeeld met grootheden en er zelf inmiddels ook een is. En terecht: Turre is namelijk al decennialang een toonaangevend trombonist met een stilistisch palet dat reikt van latin tot neobop. En nog beroemder is hij als schelpblazer.

Maar het lijkt erop alsof Turre de exotische connotaties van zijn `zeetrompet' zat is. TNT is het eerste Turre-album dat het zonder het karakteristieke oergeloei moet stellen. De cd-titel staat immers voor Trombone 'n' Tenors en dat is precies wat de luisteraar krijgt. ,,De schelp is het oudste blaasinstrument ter wereld, maar hij heeft zijn beperkingen'', stelt Turre. ,,Je kunt het bijvoorbeeld wel vergeten om er een Charlie Parker-nummer op te spelen.''

Voor TNT nodigde Turre de bevriende tenorsaxofonisten Dewey Redman, David Sanchez en James Carter uit. De drie tandems die hij beurtelings met ze vormt, doen denken aan de historische frontlines waarin Turre naast rietblazers van formaat stond als Woody Shaw, Rahsaan Roland Kirk en Dexter Gordon. ,,De combinatie van trombone en tenorsax is een van de klassieke geluiden van de jazz'', vindt Turre. ,,Het is supervet en vlezig met een hoop resonantie. En op deze manier komt de trombone hopelijk ook weer eens in de schijnwerpers.''

Wat extra aandacht kan het instrument wel gebruiken, want de trombone zit volgens Turre al jaren in het verdomhoekje. ,,Het is de schuld van de platenbazen en de concertpromotors. Die beweren dat trombone niet verkoopt en dat het publiek alleen trompet en saxofoon wil horen. Harvey Wein, de baas van het New Port Jazz Festival heeft zelfs nog nooit een trombonist als bandleider geboekt, zelfs J.J. Johnson niet.''

En toch is het niet altijd zo geweest. Ooit was de trombone de gelijke van de trompet en de saxofoon, en scoorden trombonisten miljoenenhits. ,,De jazzgeschiedenis begint zelfs met een trombonist, Kid Ory uit New Orleans'', doceert Turre. ,,En in de tijd van de big bands had ieder orkest een ster in de trombonesectie. Glen Miller en Tommy Dorsey leidden zelfs een eigen orkest en verkochten veel platen voor jukeboxen.''

Wanneer ging het dan mis? ,,Toen Charlie Parker en Dizzy Gillespie in de jaren veertig hun bebop introduceerden. Dat was te ingewikkeld en te technisch voor de meeste trombonisten en die moesten dus een stapje terug doen. In een heel korte tijd is toen het zwaartepunt in de jazz van drie hoorns naar twee verschoven. Er bleef eigenlijk maar één trombonist over die de boppers kon bijhouden en dat was J.J. Johnson.''

Dat is al de tweede keer dat Turre de naam van de dit jaar overleden trombonepionier in de mond neemt. Hij ziet Johnson dan ook als de man die, ook na zijn dood nog, de weg wijst naar de toekomst van de trombone. ,,Hij vond niet alleen nieuwe noten op zijn instrument, maar was ook de uitvinder van een geheel nieuwe harmonische taal die je niet hoort in de vroegere speelstijlen. Het is onze taak om zijn werk op te pikken en verder te ontwikkelen. Maar het probleem met veel jongere spelers van tegenwoordig is dat ze die erfenis links laten liggen. Ze grijpen terug naar de `smears' en glissandi van de vroege stijlen. Dat is allemaal wel oké, maar in plaats van het opnieuw beleven van het verleden zouden ze die technieken als basis voor vernieuwing moeten gebruiken. Het gevaar van die trend om oude muziek te conserveren is dat de verworvenheden van een iets latere generatie vergeten dreigen te raken.''

Zelf is Turre wel voortdurend bezig met het veranderen en verbeteren van zijn stijl. Ook TNT bevat weer de nodige speltechnische primeurs. De trombone-ambassadeur somt op: ,,Het is de eerste keer dat ik met een losse stopper speel. Hiervoor blies ik altijd met een Pixie-mute in de hoorn, een beetje het Duke Ellington-geluid. Die losse stopper is een soort eerbewijs aan Al Grey, die dit jaar gestorven is. En zo is mijn allereerste solo met cup mute in het nummer 'Stompin' at the Savoy' een eerbetoon aan Stanley Turrentine, die op dit album zou meespelen maar er inmiddels ook al niet meer is.''

Turre zucht eens diep bij de gedachte aan zoveel recent overleden collega's. ,,Ja, het was een slecht jaar voor de trombone. Het is te hopen dat de jongeren snel de gaten opvullen want voor mij is het al te laat. De trombonisten van mijn leeftijd behoren tot de verloren generatie. We hebben gespeeld met de meesters en ons leergeld betaald, maar het waren altijd die trompettisten en saxofonisten die er met de contracten vandoor gingen. Ik kan alleen hopen dat ik nog zo lang leef dat ik een trombonerevival mag meemaken.''

Steve Turre: TNT (Telarc, CD-83529) Distr Challenge.