Een krakende ode

Het zal deze zomer wel weer een gekraak van jewelste zijn in de Nederlandse achtertuinen. Want welk gezin heeft geen rotan tuinstoeltje in de schuur staan? Het is een erfstuk van een vergeten tante of een aankoop op de rommelmarkt. De meeste bezitters zijn zelfs vergeten waar ze hun lawaaierige kuipstoeltjes vandaan hebben; het lijkt of ze er altijd geweest zijn. En over twintig jaar zullen ze nog wel in die schuur staan. Want rotan is - ondanks die neiging tot amechtig buigen - niet kapot te krijgen. Daarbij weegt het weinig, wat het heen en weer slepen vergemakkelijkt. En het is goedkoop. De ideale grondstof dus voor de zuinige Nederlandse meubelmarkt.

Dat gold zeker vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen de tropische palm een van de weinige voorradige materialen was en de behoefte aan goedkope meubels groot. In de jaren zestig en zeventig zakte de rotan-rage in en keken steeds meer woninginrichters om naar duurder zitcomfort in hout, leer of - toen bijzonder hip - plastic. Het vlechtwerk werd verbannen naar de kinderkamer of schuur. Tot voor kort althans, want er is sprake van een voorzichtige rotan-revival. Designjunkies en nostalgici kunnen terecht op veilingen, maar ze kunnen ook een kijkje nemen in het Nationaal Vlechtmuseum in het Friese Noordwolde, waar een expositie is gewijd aan de peetvader van het Nederlandse rotanmeubel: Dirk van Sliedregt.

Van Sliedregt (1920) was van oorsprong meubelmaker en schopte het via de avondschool tot ontwerper. In 1948 benaderde meubelfabrikant H. Jonkers hem met het verzoek rotanstoelen te ontwerpen die machinaal en in grote aantallen gemaakt konden worden. Nog geen tien jaar later hadden Van Sliedregts meubels een vaste plek in de rubriek `Zitten onder de vijftig gulden' in het maandblad van Stichting Goed Wonen, de club die na-oorlogs Nederland heropvoedde op interieurgebied.

Die erkenning had de ontwerper vooral te danken aan zijn functionele vormgeving. Hij streefde naar een minimaal en helder materiaalgebruik en hield onnodige franje buiten de deur. In het begin ontwierp hij modellen geheel van rotan, zoals de stoel 537 uit 1949: een wat monumentale zetel waarvan de spijlen in het zitvlak sierlijk gebogen zijn. De open constructie maakt meteen het minpunt van het exclusieve gebruik van rotan zichtbaar. De verstevigende kruisverbinding tussen de poten, nodig om de stoel geen spagaat te laten maken zodra erop gezeten wordt, verstoort de eenvoud van het ontwerp.

Een jaar later maakt Van Sliedregt met de 598 een volledig van rotan gemaakte stoel zonder die dwarsverbinding, maar ook dit model voldoet nog niet aan zijn ideaal van sobere elegantie. Die bereikt hij pas als hij in 1952 een rotan zitting combineert met een stalen buisframe. De eetkamerstoel 550 maakt furore op de triënnale van Milaan en wordt een designklassieker. Willem Sandberg zet zijn Stedelijk Museum vol 550's, die het daar maar liefst 28 jaar uithouden.

Wie de 550 ziet begrijpt het succes. Het buisframe van zwart gemoffeld staal doet denken aan de doelmatige constructies onder de meubels van Gispen. Het verschil is alleen dat Gispen het onderstel gebruikte als sokkel voor vierkante, enigszins plompe, zittingen, terwijl het zitvlak van kruiselings gevlochten rotan dat Van Sliedregt bedacht extreem licht en transparant is. Bovendien is de zitting maar op een paar plekken aan het frame vastgeschroefd. Dit wonderlijke zweefeffect is mooi te zien op de tentoonstelling, waar een op ooghoogte opgehangen 550 vrij zicht biedt op de onderkant.

De combinatie van metaal en rotan bleek vruchtbaar genoeg om Van Sliedregt gedurende de jaren vijftig en zestig volop bezig te houden. Het toppunt van lichtheid bereikt hij in 1955 met de 685, een van pitriet gevlochten mat die rust op een uiterst slank onderstel van witgespoten staal. In bankstel 726 (1964) tast de ontwerper de grenzen van het zweefvermogen af door een driezitter met slechts een paar punten in een verchroomd buisframe te laten hangen.

Van Sliedregt kreeg talloze opdrachten voor de inrichting van raadhuizen en apotheken. Onder vakgenoten geniet hij dan ook een zekere reputatie als binnenhuisarchitect, maar voor het grote publiek is hij voor eeuwig `de rotanman'. Het zomerse achtertuin-gekraak is een ode aan zijn werk.

Expositie `Rotan en staal', t/m 12 nov in het Nationaal Vlechtmuseum, Mandehof 7, Noordwolde. Inl 0561-431885