Dameshockey

Dit stukje zal over hartstocht gaan; niet over de hartstocht voor Mart Smeets en ook niet over de passie voor Ajax of een andere voetbalvereniging. Ik heb niks met de woensdagavond op televisie, omdat er dan almaar sport is, vooral voetbal. Dat gebal is tot daar aan toe, maar wat ik onbegrijpelijk blijf vinden is het eindeloze gemekker over een bepaalde trainer, de knie van een 22-jarige jongen die veel te veel verdient of een grasmat die maar niet groeien wil. Mart Smeets een aardige man, daar niet van is in de loop der jaren steeds pompeuzer gaan praten over sport. Hij laat, voor het effect, pathetische stiltes vallen, hij herhaalt zichzelf als hij meent iets intelligents gezegd te hebben en hij heeft zichzelf de pose van een pasja aangemeten uit wiens borstzakje een met de jaren steeds grotere pochet is gaan ontploffen. Voetbal schijnt koning te zijn, maar Smeets is intussen zijn keizer geworden, Hij heeft zich met verve op die keizerstroon genesteld en heeft in de avonduren ook nog taken in de wielrennerij en menige andere sport.

Het gepraat voor en na een voetbalwedstrijd interesseert mij niets. Ik probeer wel eens te luisteren, maar na enkele minuten ben ik al moe van al die windbuilerij en al dat gepraat over niets, helemaal niets. Nogmaals: voor het balspel zelf kan ik de interesse nog enigszins begrijpen, maar zelf ben ik geen voetbaldier. Ik voel mij zelfs via de televisie nogal ongelukkig tussen voetballiefhebbers die vanaf de tribune elkaar en cameramannen bepiesen, die met vanen zwaaien en daarna bussen en treinstellen slopen. ,,Je generaliseert!'', hoor ik iemand roepen. Dat klopt, maar desondanks blijft staan dat het hele stadionklimaat mij niet bevalt.

Toch heb ik één tamelijk geheime liefde voor een bepaalde sport. De afgelopen dagen ben ik erg verwend, want er was veel van die sport op televisie. Als jongen had ik al een bijna erotisch getinte hartstocht voor de beoefenaarsters van deze sport. Zij wordt ook beoefend door mannen, maar met die behaarde afdeling heb ik niets. Ik schrijf over dameshockey. En alleen dat woord al maakt mij gek van intens en sensueel genot: `dameshockey' ('vrouwen-' of 'meidenhockey' zijn begrippen die lang niet zo opwindend klinken)!

In het dorp van mijn jeugd hadden we een beroemde dameshockeyvereniging en ik heb heel wat middagen in het struweel gelegen om naar de jonge dames te kijken. Niet omdat ik mijzelf seksueel wilde escaleren, want meisjes willen mij toch niet, maar omdat ik naar die stevige gebruinde bovenbenen wilde loeren, omdat ik wilde luisteren naar het hoge gekir van de speelsters en hun leuk gekapte polkakopjes wilde bekijken.

In de krant las ik over de wedstrijden die het Nederlandse damesteam heeft gespeeld. Nieuw-Zeelandse speelsters klaagden over `onze' dames: ze zouden grof spelen, schelden en tieren en met hun sticks in het rond slaan. Onze dames zouden de stick zelfs gebruiken om tegenstanders te lijf te gaan. Het is waar, ik heb het zelf de laatste dagen op de televisie gezien: onze dames beukten er op lost, hun bovenbenen zijn nóg gespierder dan vroeger, de polkahoofdjes stralen een en al fanatisme uit en het gekir klinkt intussen als een reprise van het Ardennenoffensief in Dolby-stereogeluid. Of onze dames winnen of verliezen kan mij weinig schelen; daar let ik trouwens ook niet op.

Wat mij buiten dat hyper-erotische van het dameshockey verder fascineert is de puurheid. Ik hoor nooit opgeblazen praat voor of na de wedstrijd, de dames geven na afloop van een partijtje steevast hijgend en zeer kort commentaar aan een verslaggever en marcheren dan naar hun kleedkamers. Waar al die prachtige, stevige bovenbenen en polkagezichtjes onder de douche gaan en daarna een voorzichtig glaasje bier drinken. Ach, altijd dameshockey op de buis, dát zou mij gelukkig maken!