Satire over zwarte karikaturen

`Mammy!' was het eerste woord dat ooit in een geluidsfilm (The Jazz Singer, 1927) te horen was. Het werd uitgesproken en gezongen door een blanke, joodse acteur (Al Jolson), die succes had door zijn gezicht met verbrande kurk zwart te maken. De blackface-traditie in de Amerikaanse cultuur gaat terug tot ver in de 19de eeuw. In de zogeheten minstrel shows werd de aanstekelijkheid van de Afrikaans-Amerikaanse cultuur verteerbaar gemaakt voor het blanke publiek, door deze te karikaturiseren. Er waren zelfs zwarten die om die reden hun gezicht zwart schminkten en witte handschoenen aantrokken.

In een compilatie van oude filmfragmenten aan het einde van Bamboozled laat regisseur Spike Lee zien hoe wijd verbreid – van Bing Crosby tot Bugs Bunny – en hoe vernederend de blackface-routine was. Traditioneel waren er twee manieren om het Afrikaanse (muzikale) erfgoed zijn onontbeerlijke rol in de vermaaksindustrie te gunnen: door het in verwaterde vorm door blanken (Fred Astaire, Bill Haley) te laten presenteren of door er een karikatuur van te maken. Bij de première van Bamboozled in Berlijn eerder dit jaar poneerde Lee de stelling dat de huidige fascinatie voor vuilbekkende, agressieve rappers de nieuwe vorm van blackface is.

De intrigerende hypothese wordt zorgvuldig uitgewerkt in Bamboozled, een even boze als treurige filmsatire, die zijn titel (`in de maling genomen') ontleent aan een toespraak van Malcolm X. Hoofdpersoon is een van de weinige Afro-Amerikaanse tekstschrijvers voor een nationale televisiemaatschappij. Pierre Delacroix (Damon Wayans), een precieus sprekende Harvard-academicus, krijgt van zijn hippe rapperstaal uitslaande blanke baas (Michael Rapaport) de opdracht een grensverleggend, streetwise programmaconcept te ontwikkelen. Delacroix plukt een tapdanser en zijn maat van de straat en geeft hen de hoofdrollen in Mantan – The New Millennium Minstrel Show, een programma vernoemd naar de stereotiepe zwarte filmacteur Mantan Moreland (1902-1973).

Met verbrande kurk op het gezicht spelen ze vrolijke, krom pratende kippendieven in het diepe Zuiden, omringd door sambo's, dikke moekes en watermeloenveldjes. De show wordt een enorm succes, bij publiek en critici, bij blank en zwart, maar uiteindelijk blijkt Delacroix toch de doos van Pandora te hebben geopend en loopt het slecht met hem af.

Dat populistisch heulen met slechte smaak door televisiemakers tot fascisme en andere ongelukken kan leiden is geen nieuw inzicht. Lee droeg Bamboozled op aan Budd Schulberg, de scenarioschrijver van A Face in the Crowd (Elia Kazan, 1957), waarin eveneens een van de straat geplukte televisiester zich tot rattenvanger van Hamelen ontpopt. Inmiddels bezit de televisie niet eens meer het alleenrecht op exploitatie van wansmaak. Ook de plattere musicalversie op Broadway van Mel Brooks' film The Producers laat het publiek dubbel liggen van het lachen om stereotypen en karikaturen, toevallig over joden en nazi's.

Het probleem van Bamboozled is natuurlijk de pijnlijke vraag waarin Spike Lee zich onderscheidt van Pierre Delacroix. Ook Lee leeft zich uit in het zo vet mogelijk reconstrueren van politiek incorrecte beelden en teksten. Hij doet dat vast met de beste bedoelingen, en de keuze om op smoezelige digitale video te draaien zal niet alleen zijn ingegeven door Lee's bewondering voor de Deense Dogma-films, maar mogelijk ook door de behoefte tot vervreemding. Hoe dan ook roept Bamboozled nuttige vragen op: het debat dat Lee ermee entameert is van groter belang dan de kwaliteiten van zijn wat onevenwichtige film.

Bamboozled. Regie: Spike Lee. Met: Damon Wayans, Savion Glover, Jada Pinkett-Smith. In: Cinecenter, Kriterion, Amsterdam; Cinerama, Rotterdam; Poelestraat, Groningen.