Paars bestaat niet in landbouw

Minister Brinkhorst excuseerde zich gisteren tegenover boeren die hij zou hebben gekwetst. Maar waar moet hij zich eigenlijk voor excuseren?

Het is inmiddels een vertrouwd ritueel geworden: iedere keer als landbouwminister Laurens Jan Brinkhorst (D66) een provocerende uitspraak over boeren doet – en dat doet hij onmiskenbaar graag en inderdaad met regelmaat – volgt enorme verontwaardiging bij de leden van de vaste Kamercommissie voor Landbouw. Brinkhorst houdt niet van de boeren, roepen zijn critici hem telkens toe, in al naar gelang de gelegenheid wisselende bewoordingen, maar met onveranderlijk grimmig pathos.

Brinkhorst houdt steevast, met een onderdrukte glimlach, zijn opmerkingen staande, maar voegt er minzaam iets toegeeflijks aan toe: er zijn ook goede boeren, zegt hij dan. Of soms, zoals gisteren, nadat CDA en VVD waren gevallen over uitspraken in een nog niet verschenen interview in het maandblad Opzij: `Ik wilde niemand kwetsen, mijn excuses'.

Brinkhorst zegt in Opzij dat boeren en burgers veel `krokodillentranen' hebben geplengd tijdens de mond- en klauwzeercrisis. Dieren beweend waarvan ze wisten dat die normaal geproken toch naar de slacht gaan – kritiek die overigens niet alleen gericht was op boeren. De minister haalde uit naar christelijke boeren op de Veluwe, die zich met geweld tegen zijn ambtenaren hadden verzet tijdens de ruimingen. Dan had hij liever ongelovigen die zich goed gedragen.

Volgens beproefd procédé hield Brinkorst aan deze vaststellingen gewoon vast toen hij excuses aanbood. Uit zijn `Ik meen wat ik zeg, maar kwetsen wil ik natuurlijk niemand' spreekt een dubbele, impliciete boodschap. De strategische boodschap is: goed, Kamer, ik haal de scherpe kantjes van mijn woorden af, dan kunnen we weer verder. De luchtigheid waarmee Brinkhorst dat doet toont evenwel een ironische afstand tegenover de omzichtige omgang met wederzijdse gevoeligheden in het Nederlandse politieke debat. Alsof hij zeggen wil: het mag wel wat scherper. Niet toevallig krijgt de Kamer óók af en toe in antwoord op haar kritiek te horen dat de minister natuurlijk ook niet vráágt dat boeren van hem houden. Het stoort Brinkhorst al genoeg dat de Kamerleden die over landbouw gaan, nog altijd zo dicht met de agrarische sector zijn verbonden. En ook van het slachtofferschap dat boeren zich soms laten aanleunen, moet hij weinig hebben.

Op die argumenten gaan zijn critici nauwelijks in. Met name voor CDA en VVD is Brinkhorst vaak louter de losbandige provocateur, die de sector onnodig tegen zich in het harnas jaagt. ,,Gebrek aan sociale intelligentie'' karakteriseert ook volgens PvdA-woordvoerder Waalkens een minister die juist `draagvlak' zou moet creëren. ,,Zo krijgt hij de boeren en boerinnen niet mee.''

Het verzet tegen de stijl van Brinkhorst wordt scherper naarmate zijn critici ook inhoudelijk verder van hem weg staan. De scherpste aanvallen komen doorgaans van CDA en VVD. In de dagelijkse praktijk van het Kamerdebat over landbouw lijkt paars niet te bestaan: CDA en VVD zitten doorgaans op één lijn en trachten elkaar in scherpe bewoordingen te overtreffen als het om kritiek op Brinkhorst gaat.

CDA-woordvoerder Atsma vatte gisteren bondig samen hoe hij over de D66-minister denkt: ,,Brinkhorst is niet voor de landbouw, maar tégen de landbouw en tégen de samenleving.''

VVD-woordvoerder Oplaat, die zijn kritiek dit keer hield bij ,,zinloos verbaal geweld'' doet vaak niet voor Atsma onder, met dit verschil dat hij zich, in het zicht van stemmingen, doorgaans gedwongen ziet zijn kritiek in te slikken wegens coalitiebelangen. Hetgeen Brinkhorst weer van dienst is in het eeuwige steekspel van provocatie en excuus.