Kyoto-protocol is stap in de verkeerde richting

Het Kyoto-protocol veronderstelt ten onrechte dat het klimaat alleen beschermd kan worden als regeringen en parlementen het erover eens worden wat precies het probleem is. Terwijl het Kyoto-protocol zélf het probleem is, meent Marco Verweij.

Een staande ovatie voor minister Pronk, blije gezichten en ,,een eerste stap ter voorkoming van het broeikaseffect'' – de stemming na afloop van de klimaatconferentie in Bonn, op 23 juli, loog er niet om. Maar nog steeds is onduidelijk of het Kyoto-protocol geratificeerd gaat worden. Eigenlijk zou het verdrag überhaupt niet in werking moeten treden. Het Kyoto-protocol is overbodig, en zelfs schadelijk, voor de wereldwijde pogingen om het klimaat te redden. Het is een eerste stap, maar in de verkeerde richting.

De oorspronkelijke doelstellingen van het Kyoto-protocol waren al mager. Het verdrag vroeg alleen aan geïndustrialiseerde landen om hun uitstoot van broeikasgassen tussen 2008 en 2012 met ongeveer 5 procent te reduceren ten opzichte van 1990. Als het bij deze ene maatregel gebleven zou zijn, zou aan het einde van deze eeuw de wereldwijde jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen met zo'n 390 procent toegenomen zijn. En dat terwijl de meeste wetenschappers ons voorhouden dat al over vijftig jaar de uitstoot van broeikasgassen met de helft afgenomen moet zijn. In dit tempo zouden we dertig Kyoto-protocols nodig gehad hebben. De overeenkomst in Bonn heeft deze schriele doelen nog verder uitgedund.

Het schiet ook niet erg op met de ratificatie van het protocol. Daar wordt al jarenlang over vergaderd, en het einde is niet in zicht. De internationale media volgden klakkeloos de opvatting van Pronk dat met het akkoord van Bonn de ratificatie van het protocol naderbij kwam. Er zouden alleen nog enkele technische details geregeld moeten worden. Eén van die details is het inrichten van een internationaal handelssysteem in vergunningen om broeikasgassen uit te stoten. Het Kyoto-protocol verdeelt een groot aantal van deze vergunningen over bijna veertig staten. Vervolgens moeten deze per land over bedrijven verdeeld worden. Firma's die hun uitstoot van broeikasgassen niet genoeg hebben teruggedrongen kunnen dan extra vergunningen kopen van ondernemingen die hun wettelijke verplichtingen meer dan voldaan hebben. Het gaat hier om verreweg de duurste uitgifte van waardepapieren aller tijden. Een voorzichtige schatting van de totale waarde van deze vergunningen komt uit op meer dan 4,5 triljoen gulden.

De huidige verdeling van vergunningen zal ertoe leiden dat honderden miljarden guldens in de koffers van de Russische staat zullen vloeien, zonder dat Rusland ook maar één milieumaatregel hoeft te nemen. De onverwachte ineenstorting van de Russische economie heeft ervoor gezorgd dat Rusland met gemak de Kyoto-doelstellingen zal bereiken, en veel emissie-vergunningen te vergeven heeft.

Het protocol is niet alleen ineffectief, het is ook overbodig. Effectief beleid zou er volledig op gericht moeten zijn om schone, duurzame energie zo snel mogelijk goedkoper te maken dan vervuilende, fossiele energie. De enorme prijsdaling van duurzame energie in de afgelopen twintig jaar maakt dat mogelijk. Windenergie is zesmaal voordeliger geworden sinds 1980 en is nu bijna net zo voordelig als alle andere vormen van energie.

Fotovoltaïsche zonne-energie is zo'n tweehonderd tot vijfhonderd maal voordeliger geworden sinds 1980. Daardoor is deze energie nu de goedkoopste optie in de vele gebieden waar geen elektriciteitsnet is. Fotovoltaïsche zonnepanelen kunnen ook dienen als muren en daken van gebouwen, en zijn vaak niet veel duurder dan de gebruikelijke bouwmaterialen. In gebieden met veel zonlicht zijn deze huizen al de meest voordelige optie. In andere delen van de wereld moet de prijs van fotovoltaïsche energie nog met de helft dalen om goedkoper te worden dan fossiele brandstoffen. Maar dit is een peulenschil vergeleken met de prijsreductie die fotovoltaïsche energie al achter de rug heeft.

Biomassa is bijna de helft goedkoper geworden. De verwachting is dat binnen niet al te lange tijd de kosten van biomassa nogmaals halveren, waardoor het een efficïent alternatief zal worden voor benzine. Een massaal overschakelen op biomassa zou tevens een unieke mogelijkheid bieden om de vele financiële en ecologische problemen in de landbouw op te lossen. Waterkracht is allang een voordelige bron van energie op veel plaatsen ter wereld. In Noorwegen gebruiken ze niets anders. Recente technologische veranderingen hebben het mogelijk gemaakt om waterkracht op te wekken zonder flora en fauna aan te tasten.

De vele vormen van duurzame energie zijn dus bezig aan een indrukwekkende opmars. Steeds meer olie- en energiebedrijven zien dit en beginnen in deze sectoren te investeren. Als duurzame energie goedkoper zou worden dan fossiele energie, zou elk bedrijf en elk huishouden, waar dan ook ter wereld, duurzame energie willen gebruiken. En energiebedrijven die nog niet geïnvesteerd hebben in duurzame energie zouden dan hun beleid razendsnel moeten omgooien of anders ten onder gaan. Zo kan een sneeuwbal-effect ontstaan dat de temperatuurstijging werkelijk afremt.

Het lijkt onvermijdelijk dat duurzame energiebronnen binnen afzienbare tijd de goedkoopste vorm van energie zullen worden, waardoor het verbruik van duurzame energie snel zal stijgen. Maar marktprocessen alleen zullen waarschijnlijk niet snel genoeg gaan om een ernstige verstoring van het klimaat te voorkomen. Energiemaatschappijen hebben veel geïnvesteerd in fossiele energie, en sommige zien er voordeel in de omslag naar duurzame energie te vertragen. Gelukkig hebben overheden veel mogelijkheden om de overgang naar duurzame energie te versnellen. Er is altijd erg weinig geld besteed aan de ontwikkeling en onderzoek van duurzame energie – er is meer uitgegeven aan nucleaire en fossiele energie.

Daar komt bij dat fossiele brandstoffen bijna overal zwaar gesubsidieerd worden. De Europese Unie geeft per jaar zo'n 22 miljard gulden uit aan kolensubsidies. De overheden van rijke landen zouden deze prioriteiten moeten omdraaien en veel meer geld moeten uitgeven aan onderzoek en ontwikkeling van duurzame energie. Tevens zouden ze met behulp van subsidies, belastingen, voorlichting en training, de producenten van duurzame energie een duw in de rug moeten geven. Dat gebeurt al in veel landen, waaronder Nederland, maar de bestaande programma's kunnen sterk uitgebreid worden. Hierdoor zouden de kleine, maar sterk groeiende markten voor duurzame energie nog sneller toenemen. Schaalvergroting zou de kosten dan verder drukken, wat nog meer investeerders zou aantrekken. Zodra duurzame energie goedkoper dan fossiele energie wordt, moeten rijke landen arme landen bijstaan om hun vele duurzame energiebronnen te benutten.

Al in 1990 waarschuwde Henk Tennekes, hoofd onderzoek bij het KNMI, voor het `technocratisch totalitarisme' dat het internationale overleg over het broeikaseffect in zijn greep kreeg. Het Duitse parlementslid Hermann Scheer (SPD), fervent voorvechter van duurzame energie, noemt het Kyoto-protocol een vorm van `totaal-bureaucratie'. Het protocol veronderstelt ten onrechte dat het klimaat alleen beschermd kan worden als de regeringen en parlementen van 180 landen het erover eens worden wat precies het probleem is, welke oplossingen de beste zijn, en wie daarvoor moeten betalen. Dit leidt tot internationale conflicten, halve maatregelen en grote vertragingen.

De overheidsprogramma's die het klimaat echt zullen beschermen zijn vooral van binnenlandse en bilaterale aard. Er is minder internationale samenwerking nodig, omdat deze programma's zowel in het ecologische als het economische eigenbelang van elk land zijn, en van land tot land kunnen verschillen. ,,Er is geen alternatief'', roepen de voorstanders van Kyoto. Maar dat is onzin.

Marco Verweij is als senior-onderzoeker verbonden aan een Max Planck instituut in Bonn.