Hoeveel vrienden heeft de kroonprins?

Het scherpst is het beschreven door Beaumarchais in De barbier van Sevilla. ,,Laster is als een zacht briesje, een vriendelijk zuchtje dat zoetjes aan begint te ruisen. Lispelend, gonzend gaat het rond, dringt behendig binnen in de oren der mensen, en doet hun hoofd en hun hersenen duizelen en opzwellen. En als het uit hun mond komt, groeit het gekakel... Het vliegt van plaats naar plaats, verdubbelt zich... Brengt een geraas voort dat de lucht doet weergalmen. Een koor van haat. En de ellendige belasterde crepeert; door dit boosaardig lot vernederd en vertrapt, onder de gesel van de mensen.'' Ik heb het wat bekort; graag had ik het in extenso overgeschreven. Het citaat is gebruikt door prof.J. Goudriaan als motto voor zijn memoires Vriend en vijand (Amsterdam, 1961). Voor een deel is het een verweerschrift tegen de manier waarop hij later als directeur van de Nederlandse Spoorwegen door de geschiedschrijving dreigde te worden neergezet. Het is een mooi, vaak meeslepend boek, maar daar gaat het nu niet over. Goudriaan heeft de politieke functie van de laster ervaren. Hij was de eerste niet, en evemin de laatste, zoals nu door de avonturen van de heer Ad Melkert wordt gedemonstreerd. Beter dan door Beaumarchais kon het niet worden uitgelegd.

Wie weet, liever gezegd, wie begrijpt waar het in dit geval om draait? Om het `verkeerd gebruik van Europese subsidies', in 1994, en `het gebrek aan effectiviteit' van 11 miljard gulden of daaromtrent waarmee tussen 1994 en 1998 de werkgelegenheid werd bevorderd. Dat staat in geheime rapporten waarvan de conclusies de afgelopen weken kort na elkaar zijn uitgelekt. Gaan we nu een paar maanden terug. Toen begon men zich in `politiek Den Haag' steeds dringender de vraag te stellen of minister-president Wim Kok voor de derde termijn beschikbaar zou zijn. Fractieleider Melkert leek te beantwoorden aan de eisen die de `kroonprins' in zulke gevallen worden gesteld: evenwichtig, man van een vooruitstrevend midden, vrij van publicitaire strapatsen. Toen begon hij zich als kroonprins te profileren. Ik herinner me een geschreven portret in de Volkskrant. Hij was van mening dat Kok de partij niet voldoende leiding gaf en dat hij niet genoeg warmte uitstraalde. De portrettist noteerde verder dat de kroonprins graag aan het kokkerellen was, het liefst coquille St-Jacques. Had ik toen maar geschreven wat ik dacht. Dat was: `Als dit maar goed gaat!' Want voor kroonprinsen is het nooit verstandig, zich op welke manier dan ook over de koning uit te laten. En ook als ze zelf koning zijn geworden, kunnen ze het best over hun voorganger hun mond houden. Dat geldt voor ieder vak.

Inmiddels zijn we vele fasen verder. Als één op de honderdduizend volwassen Nederlanders nauwkeurig en objectief kan uitleggen wat de geheime rapporten behelzen, op zo'n manier dat de anderen het begrijpen, is het veel. Maar daar gaat het niet meer om. De fractieleider is prooi geworden, ook voor wie hem niet als het middelpunt van een `kwestie' beschouwde, en zelfs voor degenen die dat wilden vermijden. U hoort het gemompel in de Haagse wandelgangen: ,,Héél vervelend, héél naar voor de man, maar we kunnen er niet meer omheen.'' De publicitaire afsplitsing van de politicus, de kloon is zijn eigen leven gaan leiden. Iedereen gaat zijn zegje doen, de echte Melkert staat verbaasd over het aantal mensen dat een takje op de brandstapel komt gooien. Zoveel had hij er niet verwacht. En onder hen weer zoveel die hem verzekeren dat ze het voor zijn eigen bestwil doen. Een normale gang van zaken.

De gevaarlijkste fase, ook in dit geval, moet nog komen. Het geklets om de `kwestie' is zelfgenererend. Het risico, vooral in de naaste omgeving waar men het meest voor de schade vreest, is nu dat daar iemand de `kwestie' eerst uit de wereld wil hebben. De vraag van schuld of onschuld, als die al terzake zou doen, verdwijnt naar het tweede plan. Wie in opspraak is geraakt, hoe dan ook, schaadt het belang waarvan hij deel uitmaakt en moet daaruit `de consequenties trekken'. (Ik zet een paar uitdrukkingen tussen aanhalingstekens, met de bedoeling de schijnheiligheid beter te laten uitkomen). Op die manier hebben een paar jaar geleden veel Amerikaanse Democraten geprobeerd president Clinton te dumpen. Dat was nog een andere situatie. Dat het ze niet gelukt is, heeft Clinton voornamelijk aan zichzelf en zijn advocaten te danken. Maar laat er overigens geen misverstand over bestaan: ik vergelijk de omstandigheden van de fractieleider nu niet met die van de president in 1998. Het gaat om het onrecht van de situatie, waarin degene die, hoe dan ook, tot middelpunt van opspraak is geworden, verplicht wordt, te vertrekken, niet door wat hij al dan niet gedaan heeft, maar louter door de opspraak.

Wat is in deze benarde toestand de oplossing? Die kan, dunkt mij, maar voor een deel door de held van het stuk zelf worden bewerkstelligd. Is hij overtuigd van zijn gelijk, dan vertelt hij dat koeltjes, zonder enig teken van revanche – ook al kookt zijn bloed. Maar ieder woord dat naar een overmaat van tegenaanval zweemt, is een woord teveel. Dat lokt alleen verdere escalatie uit, en die werkt onveranderlijk in zijn nadeel. Koel heeft de fractieleider zich tot dusver gedragen. En verder zal hij rekenen op zijn vrienden, de getrouwen, de onbesprokenen, de gezaghebbenden. Die moeten als één man/vrouw voor hem in de bres springen. Heer Melkert, tel uw vrienden. Wij tellen mee. Meer echte dan er nu verschijnen, zult u niet hebben.