Een schop tussen zijn glimmende billen

Tussen twee chemokuren in ga ik wandelen op de St.Jansberg, een schitterend stuwwallandschap ten oosten van de Maas. We besluiten een wandeling te maken van twee kilometer, zo groot is mijn energie nu ook weer niet. Het is laat in de middag van een zonnige zaterdag als we de witte paaltjes volgen. We ademen boslucht in en genieten, komen een enkele wandelaar tegen. Maar: ,,Zouden ze nou uitgerekend híer een motorcrossterrein hebben aangelegd'', vraagt mijn vriendin. Een jankende herrie komt ons tegemoet. Een paar honderd meter verder zijn we ervan overtuigd dat het geen crossers zijn die we horen, maar gillende kettingzagen.

We komen diep in het bos, op de plaats waar een beekje ontspringt. De herrie staat nu als een muur, maar we kunnen niet zien waardoor die veroorzaakt wordt. We vluchten links het bruggetje over. Plots komt als een bliksemschicht een op afstand bestuurde modelauto van een heuvel afracen in de richting van de beek. Bij het bruggetje aangekomen keert 'ie, om heuvelopwaarts met een noodgang te verdwijnen. Wij staan ondergedompeld in lawaai aan de grond genageld te kijken. ,,Wegwezen!'', sist mijn vriendin. We lopen een meter of tien. Dan draai ik me om, mijn bloed begint te koken. ,,Ik moet hier iets aan doen'', zeg ik. ,,Maar zou je niet..'' ,,Nee!'', roep ik en met grote passen loop ik terug over het bruggetje, het pad op waar de herrie vandaan komt. Mijn vriendin volgt aarzelend. Ik voel geen vermoeidheid, been met krachtige stappen; mijn armen zwaaien op en neer. Daar waar de heuvel begint staan twee mensen, een man en een vrouw. ,,Horen die er bij?'', denk ik vaag, zie dan halverwege het naar boven lopende pad een uit de kluiten gewassen man staan. Tatoeages, hemdje, glimmend kort broekje en een kale kop, net zoals ik. Hij staat voorovergebogen en prutst aan het nog steeds dezelfde herrie producerende vehikel.

,,Waar ben je in godsnaam mee bezig?'' schreeuw ik al van enige meters afstand. ,,Ik kom hier voor mijn rust!'' ,,Loop door'', zegt de man, die niet eens overeind komt. ,,Maar ik hoor je over een paar kilometer nog'', roep ik, ,,dit is een natuurgebied.'' ,,Loop dóór!'' zegt de man. Ik ga een paar stappen achteruit. Dan fixeert mijn machteloze blik zich op zijn naar boven gerichte achterwerk. Strak staan zijn glimmende billen naar de zon gericht. Ik denk niet, ik doe. Ik neem een aanloop en geef hem een schop zo hard als ik kan, precies tussen die wijkende billen. ,,Hij heeft geluk dat ik mijn bergschoenen niet aan heb'', flitst het door me heen. Dan komt de man brullend overeind. Met uitgestoken vuisten loopt hij op me af en roept van alles wat ik niet meer weet.

Ik kijk en denk: ,,Hij gaat me in elkaar tremmen'' en ,,Oh god, m'n litteken!'' Ik loop langzaam achteruit. Mijn handen gaan omhoog. Ik zeg: ,,Pas op, ik heb kanker.''

De man pakt mijn schouders, hij roept allerlei dingen. Tegelijkertijd word ik van achter besprongen door de vrouw die onderaan de heuvel stond. Zij roept ook en schreeuwt. Dan arriveert mijn vriendin. Zij is, hoe kan het zo zijn, lerares bij moeilijk opvoedbare pubers en zegt op bezwerende toon: ,,Ho ho ho, zullen we hier even over praten?'' en plukt de vrouw van mijn rug. De gillende herrie van het autootje gaat onverminderd door.

,,Zij schopt mijn vriend!'' schreeuwt de vrouw. ,,Teringwijf, takkenhoer!'' Mijn vriendin en ik lopen langzaam achteruit. ,,Kom, we gaan'', zegt ze en trekt me mee. Ik draai me nog een keer om en roep met uitgestoken wijsvinger: ,,Ik bel de politie!'' Dan sukkel ik de heuvel af. Zo'n vijftig meter na het bruggetje ligt een omgevallen boom. We zijgen daarop neer. Ik zweet en tril als een postpaard.

Ineens houdt de herrie op! We hebben nog nooit zo'n stilte gehoord. We kijken naar boven. Door het groen van majesteitelijke beuken glinstert de zon. We horen vogels. ,,Geesina'', zeg ik, mijn vriendin schuin aankijkend, ,,Ben je trots op me?'' ,,Ik ben ontzettend trots op je, maar dit mag je nóóóit meer doen.''

,,En wat'', denk ik, ,,heb ik nog meer van me afgetrapt dan het lawaai?''