Voetballen op een kleine markt

In de eredivisie, die uit achttien clubs bestaat, beurt een beroepsvoetballer gemiddeld een half miljoen gulden bruto per jaar. Extra premies, dankzij het meedoen aan Europese toernooien als de Champions League, zijn daarin nog niet begrepen, berichtte de Volkskrant vorige week vrijdag. Wie per club het aantal contractspelers op 25 stelt, komt ongerekend die extra's op een totaalsom van circa 225 miljoen aan salarissen uit. Dat komt neer op een verdubbeling sinds de Europese rechter eind 1995 in het Bosman-arrest bepaalde dat spelers aan het einde van hun contractperiode vrij zijn zich elders aan de meestbiedende te verkopen, dus zonder dat de club waar zij vertrekken om een transferbedrag kan vragen.

Wat natuurlijk meebracht dat de spelers (alsook hun managers) jegens de clubs een veel sterkere onderhandelingspositie kregen, ook tijdens de duur van hun contract, zoals de penningmeesters intussen al royaal hebben gemerkt. En wat tevens meebracht dat het oude en degelijke clubmotto ,,ons kapitaal staat op het veld'' de werkelijkheid niet meer zo dekt. Want dat kapitaal tendeert nu voor de clubs steeds meer naar nul naarmate het einde van de contractperiode nadert. Willen de clubs dat voorkomen, dan moeten zij hun spelers dus tussentijds een nieuwe, langerlopende verbintenis aanbieden. Een verbeterde verbintenis voor hun gewaardeerde werknemer meestal, want anders besluit die gewoon zijn contract uit te dienen om daarna elders meer te gaan verdienen. Wat dat betreft kan het op werknemersbescherming gerichte Bosman-arrest typische consequenties hebben. De goede speler, de sterke werknemer, is er meestal bij gebaat. Maar een wat mindere, langdurig geblesseerde of qua plaats overbodige speler moet vrezen dat hij te zijner tijd een slechtere of zelfs helemaal géén verbintenis voorgelegd krijgt. Dat is eerder logisch dan sociaal.

Zo gaat het hard. Het is dan ook niet niks, 225 miljoen, mede gelet op het feit dat veel kenners het weekendbedrijf van de eredivisie vergelijkenderwijs kwalificeren als een `Mickey-Mousecompetitie', waarin steeds maar drie (dezelfde) clubs kampioenskansen hebben, namelijk Ajax, Feijenoord en PSV. Al kun je daartegen inbrengen dat dat in heel wat Europese landen net zo is. In België (Anderlecht, Brugge), Engeland (Manchester United, Arsenal, Liverpool, Leeds), Duitsland (Bayern, Borussia Dortmund, Schalke), Italië (AS Roma, AC Milan, Juventus), Spanje (Real Madrid, Barcelona, Valencia) en Schotland (Glasgow Rangers, Celtic) wordt de dienst doorgaans ook uitgemaakt door een groepje clubs uit grote steden, (vroegere) industriecentra of stedelijke agglomeraties. Ook daar is de tijd voorbij dat `kleine' maar slimme clubs uit provinciesteden (Borussia Mönchengladbach, Ipswich) een jaar of zelfs langer konden spotten met de wetten van het grote geld (grotere stadions, meer toeschouwers, meer directe of indirecte gemeentelijke subsidie, meer baten uit reclame, verkoop van sportattributen en tv-rechten, rijkere sponsors enz.).

Wie vorige week woensdag de eerste helft van de oefeninterland Engeland-Nederland zag, of donderdag de lyrische Britse verslagen over het Nederlands elftal las, moest concluderen dat er in Nederland qua talent en opleiding kennelijk niet zoveel mis is. Die conclusie geldt trouwens langer, want tijdens wereld- en Europese kampioenschappen behoort `ons Oranje' al decennia tot de smaakmakers. Jawel, roept men dan, maar het overgrote deel van de nationale selectie speelt in het buitenland, daar worden veel betere salarissen betaald en daar is de fiscus vaak vriendelijker. Daardoor worden de grootste talenten weggelokt, mede dankzij het Bosman-arrest, en wordt de nationale competitie afgeroomd. Dat is allemaal waar, maar dat betekent tenminste óók dat het met de talenten en hun opleiding in de Nederlandse competitie tot nu toe kennelijk niet slecht gesteld was en dat Mickey Mouse althans dáár niet de baas is.

De `grote drie' van de eredivisie kunnen in de komende jaren wellicht nog een paar stapjes doen om hun budget op te rekken. Maar nu al staat vast dat zij in Europa qua geld en/of qua fiscale behandeling van spelers geen gelijke tred kunnen houden met topclubs uit grotere landen. Dat zou trouwens ook zo zijn mocht het, zoals PSV-voorzitter Van Raaij al jaren aanbeveelt, tot een soort Europese competitie, of een competitie voor toppers uit kleinere landen (als Nederland, Schotland, België, Denemarken, Portugal) komen. De grotere markt van grotere landen zal immers ook dan veelal doorslaggevend zijn voor de vraag wie financieel (en dus sportief) de lakens uitdelen. Dat was en is geen nieuwigheid, het Nederlandse bedrijfsleven kent dat probleem ook. Al kan en moet dat natuurlijk meer grensoverschrijdend opereren dan voetbalclubs, die het mede van hun `nationale' uitstraling moeten hebben. Anders zouden zij immers hun natuurlijke achterban, hun thuisbasis, grotendeels verspelen.

In de afgelopen decennia hebben Nederlandse topclubs door uitgekiende scouting en een goede jeugdopleiding in Europa toch heel behoorlijk kunnen meedoen. Met name Ajax kreeg alom lof voor zijn scouting en succesvolle jeugdopleiding, die trouwens indirect nog werd begunstigd door de Surinaamse onafhankelijkheid in 1975. Althans door de komst van vele uit dat land afkomstige talenten, wier ouders zich sindsdien in en rondom Amsterdam vestigden.

Sinds het Bosman-arrest is het moeilijker geworden om de Nederlandse handicap van de `kleine thuismarkt' te compenseren met zo'n goede opleiding. Want een club kan een aankomende speler alleen binden door hem een langlopend contract met een (zeer) hoog salaris aan te bieden. Bij heel veel clubs is de uiterste budgettaire grens dan snel bereikt. Kortom: tussen Champions League en Mickey Mouse zal het moeilijk blijven. De zendgemachtigden, dol op wat voetbal doet voor de kijkcijfers, anticiperen daarop. De florerende Engelse premier League, waarin nu aardig wat Nederlanders uitkomen, kreeg afgelopen weekeinde van RTL 5 méér zendtijd dan de start van de eredivisie van de NOS.