Topinkomens

Wat eerder dit jaar al uit verschillende publicaties naar voren kwam, is nu nog eens door een onderzoek van het kabinet bevestigd. Bij de bedrijven met meer dan 70.000 werknemers is de beloning van de leden van de raden van bestuur het afgelopen jaar aanzienlijk toegenomen. De gemiddelde inkomensstijging bedroeg hier 17,6 procent. Het inkomen van bestuurders van ondernemingen met 2.000 tot 7.000 werknemers nam vorig jaar gemiddeld met 11,8 procent toe. Hiermee zat de top van de grote Nederlandse bedrijven ver boven de gemiddelde stijging van de CAO-lonen. De inkomensstijging van bestuurders van middelgrote bedrijven liep ongeveer gelijk op met die van werknemers in het algemeen.

In een land waar het begrip loonmatiging zo ongeveer tot de nationale identiteit is gaan behoren, is het signaal dat de eredivisie van het Nederlandse bedrijfsleven afgeeft aan de werknemers die onder een CAO vallen vanzelfsprekend verkeerd. Pleidooien voor terughoudende looneisen zijn minder overtuigend als de leiding van een onderneming zichzelf daarvan uitzondert.

Natuurlijk zijn er verzachtende omstandigheden. Ook in de top van het bedrijfsleven is sprake van een markt. Krapte en internationale concurrentie stuwen de prijs van arbeid omhoog. Toch is dit maar een beperkte verklaring. Voor mensen in het onderwijs en de verpleging speelt het arbeidsmarktargument bijvoorbeeld veel minder een rol. Wat betreft de internationale concurrentie is er nog geen sprake van een grootscheepse uittocht van Nederlandse managers naar het buitenland. En waar onmisbare mensen toch `weggekocht' dreigen te worden, zijn altijd individuele oplossingen mogelijk.

Meer dan het plaatsen van vraagtekens bij de buitensporige loonsverhogingen is niet mogelijk. Minister Vermeend (Sociale Zaken) stelt in de brief aan de Tweede Kamer waarin hij zijn bevindingen heeft neergelegd terecht vast dat de inkomensvorming primair een zaak is van werkgevers en werknemers. Als het gaat om bestuurders van naamloze vennootschappen, is een rol weggelegd voor de commissarissen. Het kabinet wil de wet nu zodanig wijzigen dat de vergadering van aandeelhouders de beloning van bestuurders en commissarissen kan vaststellen.

Hiermee legt het kabinet de verantwoordelijkheid voor het beloningsbeleid waar deze hoort. Maar of het werkelijk een dempende werking zal hebben op de loonontwikkeling is een tweede. Aandeelhouders hebben meer oog voor de beurskoers dan voor de loonontwikkeling van een aantal bestuurders. Hooguit is er de mogelijke preventieve werking die van deze bevoegdheid uitgaat.