Chauvinistische mode-vakdioten

In Antwerpen speelt zich deze zomer de manifestatie Mode2001 Landed/Geland af, met tentoonstellingen, in felle kleuren opgeverfde gebouwen en tenslotte de opening van een nieuwe Mode Academie in het hart van de stad. Artistiek leider is de Belgische modeontwerper Walter Van Beirendonck.

Hij is ook de initiator van N°A, een nieuw modetijdschrift dat voortaan twee keer per jaar moet verschijnen. Het volgende nummer zal N°B heten, en zo verder.

Voor elke aflevering wordt een modeontwerper die Van Beirendoncks professionele idealen (`emotie, passie, vakmanschap') voldoende uitdraagt verzocht om het `artistiek concept' te leveren. De gast mag vrijelijk zijn gang gaan wat inhoud en vormgeving betreft.

Dirk van Saene, die N°A voor zijn rekening nam, wou geen kleur in zijn blad en geen cover eromheen, zodat het nu als een in plastic verpakte, sobere homp papier in de kiosk ligt; de volgende keer kan alles weer anders zijn.

Is N°A mooi, en belangrijker: is het een blad met inhoud, in plaats van `het zoveelste tijdschrift dat eerst zoveel mogelijk advertenties binnenhaalt en daar de reportages omheen bouwt', zoals Van Beirendonck dit voorjaar in een interview met deze krant (CS, 25 mei) naar zijn concurrenten sneerde?

De advertentiepolitiek met `eigen creatief concept' is in ieder geval geestig en verfrissend. De lezer van een modeblad is gewend zich, voordat de fotoreportages beginnen, door tientallen pagina's plastic ogende modellen met de nieuwste jurkjes aan en luchtjes op heen te werken. Je neemt ze net zo gelaten tot je als de reclames in de bioscoop: nee, hier was je niet voor gekomen, maar ach, kwaad kunnen al die `beautiful people' nu ook weer niet. Van Beirendonck vindt van wèl. Zijn adverteerders hebben zich naar de esthetische eisen van zijn blad te schikken. Lost Boys, Chrysler en Comme des Garçons staan dus in zwart-wit in N°A, hun naampjes klein op verder lege bladzijden die zich nauwelijks als advertenties laten herkennen. Of dat de campagnes kwaad doet, valt te betwijfelen: sluipreclame is immers óók reclame.

Verder staan er in N°A vooral veel sombere modefoto's van ontwerpen van Antwerpenaren. Het blad is ongegeneerd chauvinistisch in zijn keuze en dat mag, maar het levert geen `statement against homogenisation' op, zoals blijkens het openingswoordje van redacteur Gerdi Esch de bedoeling is. De kleren zien er juist allemaal zo hetzelfde uit: ernstig, vreemd en slecht draagbaar.

Een serie foto's van leerlingen van de Antwerpse mode-academie, die overigens pagina's langer had mogen duren, laat zien in welke bloedernstige atmosfeer hun werk ontstaat: iedereen is even bleekjes en ijverig bezig.

In Antwerpen is mode een soort religie, schrijft Alix Browne in haar artikel `A is Antwerp', en voor deze mensen gaat dat letterlijk op.

Soms drijft het ambacht van kleermaken in N°A wel heel ver van z'n basis, het menselijk lichaam, af. Er zijn uitzonderingen, zoals een mooie zwarte avondrobe van Viktor en Rolf en een pak van glimmend zijde van Christophe Charon. Maar een gewone college-trui waarvan alleen de mouwen in tweeën geknipt zijn (A.F. Vandevorst), of een bloes met zo'n hoge boord dat je erin zou stikken (Walter Van Beirendonck)?

Bijdragen als de op haute couture geïnspireerde kunstwerken van Chris Brodahl of de vijf onhandige uitklapposters waarop Inge Grognard haar visie op de make-up van vandaag uiteenzet (ik zag vijf mooie meisjes, maar nauwelijks make-up) duwen N°A nog verder in de richting van een kunst-, in plaats van een modetijdschrift. N°A biedt een kijkje in de keuken van een stel vakidioten, dat waarschijnlijk vooral voor mede-vakidioten interessant is.

N°A, August 2001, ƒ19,83.