Arbeid adelt

Een zekere Peter zou graag met zijn collega's over zijn voorkeur voor sadomasochisme spreken, las ik in het voorlaatste magazine van de Volkskrant. Volgens hem is het sadomasochisme namelijk niet zomaar een aspect van zijn seksuele leven maar een belangrijk deel van zijn persoonlijkheid. Nou en? Moeten alle aspecten van iemands persoonlijkheid ten opzichte van de buitenwereld worden prijsgegeven? Is het noodzakelijk dat ik weet wat mijn collegae zoal doen tussen de lakens, aan beide enkels aan kettingen opgetakeld aan het plafond met een Processierups kronkelend tussen de dijen of in een keldertje vastgeklonken aan een houten kruis, het hoofd getooid met een olijk blauw feesthoedje? Bespaar mij dat. Ik wil op mijn werk geen deelgenoot worden gemaakt van de ontboezemingen van een naar zelfverwezenlijking hunkerende collega. Ik wil zelfs met die hunkering niet geconfronteerd worden. Zelfexpressie in een context die daarvoor niet bedoeld is, daar komt ontzaglijke ellende van.

Er zijn mensen, niet de minsten, die daar anders over denken. Sociaal-filosoof en Habermas-kenner Harry Kunneman bijvoorbeeld acht het van belang dat binnen bedrijven en instellingen zowel door management als werknemers erkend wordt dat de verlangens en wensen van een sterfelijk, emotioneel en lichamelijk individu niet altijd overeenstemmen met de van hen verwachte en vaak aanwezige professionele en emotionele betrokkenheid op `de zaak'. Kunneman, hoogleraar Praktische Humanistiek, thans rector van de Universiteit voor Humanistiek te Utrecht en onder meer schrijver van het boek Postmoderne Moraliteit, zou graag zien dat werknemers en leidinggevenden zich overgeven aan een wederzijdse reflectie over de wijze waarop hun werk interfereert met hun `bestaansprojecten'. Zelfexploratie zou daarbij een belangrijke plaats moeten krijgen. Dat heet een contextuele benadering van werk en leven, een benadering gestoeld op een zogeheten postmoderne moraliteit die de dynamiek van `bestaansprocessen' omarmt.

Hoe werkt dat in de praktijk? Wat betekent het om in de context van `de zaak', `de instelling', `het bedrijf' en `het management' bezig te zijn met het experimenteren met je eigen bestaan? Is het wel zo'n prettige gedachte dat je collegae dit in jouw nabijheid doen? Ontstaat er niet een merkwaardige en dwingende cultuur van openheid en zelfonderzoek? Wat als je je daaraan wilt onttrekken en vast wilt houden aan de gedachte dat werk en privé gescheiden zijn? Wat als je, door het leven toch enigszins wijs geworden, weet dat veel mensen, en vooral je collegae met wie je dingt om een betere positie, je leidinggevenden en het management van de organisatie waar je voor werkt, in al hun getoonde gevoelige menselijkheid, niet altijd te vertrouwen zijn? Is het dan wel zo'n frisse gedachte om met hen, al dan niet onder begeleiding van een humanistische organisatiedeskundige, te reflecteren over de spanningsvelden in je leven?

Men kan mij verwijten te veel oog te hebben voor het kwade in de mens en de gevaren die schuilen achter goede bedoelingen. Zonder goede bedoelingen kan de wereld niet draaien. Edoch, ook de weg naar de hel is ermee geplaveid. De ervaring leert namelijk dat veel van wat je zegt tegen je gebruikt wordt. Een ieder die dat ontkent, moet wakker geschud worden of in ieder geval niet in slaap gesust door Kunnemans concept van postmodern humanisme. Machtsongelijkheden en de bewuste en onbewuste drang van mensen om elkaar te vernietigen, te vernederen of op z'n minst vliegen af te vangen, kunnen ook door een open communicatie niet weggeredeneerd worden. Ook niet door, zoals Kunneman wenst, juist bespreekbaar te maken dat de mens een emotioneel, seksueel en agressief wezen is. Kortom, de dingen die je al experimenterend en reflecterend aan anderen toevertrouwt zullen bedoeld of onbedoeld invloed hebben op de wijze waarop men zich een oordeel vormt over je functioneren binnen de instelling. Alle formele criteria van het vage fenomeen dat functioneringsgesprek wordt genoemd, ten spijt.

De over zelfexpressie en persoonlijke experimenten babbelende werknemer zal uiteindelijk worden geconfronteerd met zijn onvermogen om de cultuur van openheid op de werkvloer met de nodige finetuning, kennis en vaardigheden in te schatten en aan te wenden ten voordele van zichzelf. Zijn collegae en leidinggevenden bleken dat al die tijd wel te hebben gedaan. Hij zal beschadigd raken en afgevoerd worden als hij niet meer in het plan van de instelling past. Net zo hard als dit zonder een contextuele benadering van zijn werk zou gebeuren. Het enige verschil is dat hij zelf mee heeft gesneden aan de stok waarmee men hem slaat. Daar staat hij dan in al zijn geestelijke naaktheid.

De verstoten werknemer is zijn vertrouwde publiek, zijn collegae en zijn werkgever, met wie hij zoveel aspecten van zijn persoonlijkheid kon delen, kwijt.

Mogelijk is hij verslaafd geraakt aan de cultuur van zelfreflectie en zelfexpressie op het werk. Waar moet hij nu naar toe? Misschien kan hij solliciteren bij het callcentrum Au Nature Telesales. Volgens een merkwaardig bericht op de nieuws-site Nu.nl, waarvan ik niet weet of het waar is, heeft de directie van dit bedrijf besloten dat werknemers aldaar hun werk naakt mogen verrichten. Dit om sollicitanten te trekken. Van geestelijke naaktheid naar lichamelijke naaktheid. Wat volgt? Vastgeketend, dan wel compleet met zichtbare zweep en uitgescheurde tepelpiercings op het werk, zoals de in de Volkskrant genoemde Peter zou willen?

In zijn column `Memento Mori' (14 augustus) schreef Sjoerd de Jong in deze krant over een samenleving die er maar niet genoeg van krijgt naar zichzelf te staren. Hij weet dit aan het humanistisch ideaal van zelfontplooiing en zelfverwerkelijking dat inmiddels werkelijkheid is geworden. Daarin heeft hij helemaal gelijk. Ik zou willen toevoegen dat als het aan humanisten als Kunneman ligt, het hier niet bij blijft. Zelfonderzoek en mentaal exhibitionisme op het werk. Weer eens wat anders voor managers die genoeg hebben van fitness, yoga of wat ratelbanden om ingrijpende veranderingsprocessen van het bedrijf in te luiden. Dat zal heel wat geld opbrengen voor de postmoderne humanisten. Hoe mooier de boodschap, hoe banaler het doel. Kan er, denk ik in onvervalst Rotterdams jargon, niet gewoon gewerrûkt wordû? Arbeid adelt.