Toeval

Bij toeval kom ik nog weleens in het huis waar ik, om precies te zijn, negenenzestig jaar geleden als kind met mijn grootmoeder kwam. Zij had de gewoonte één dag in de week bij haar zuster door te brengen, die in het zogenaamd deftige gedeelte van de Zwart Janstraat woonde, en wanneer ik wegens uitstedigheid van mijn ouders aan haar hoede was toevertrouwd, zag zij zich genoodzaakt mij mee te nemen. Achteraf betwijfel ik of haar familie hiermee was ingenomen, want ik herinner me dat ik me weinig op mijn gemak voelde in deze omgeving, waar traag en teruggetrokken werd geleefd en behalve mijn grootmoeder niemand, ook geen andere bloedverwanten, over de vloer werd geduld zelfs niet de oudste, getrouwde dochter, die om geheimzinnige redenen met haar ouders en zuster was gebrouilleerd.

In elk geval moet de vreemde stemming in het huis mij niet zijn ontgaan, aangezien ik er later, toen ik er niet meer kwam, met lange of korte tussenpozen van begon te dromen. Het was steeds dezelfde droom, waarin ik door de halfdonkere kamers en het souterrain liep en weer de beklemming onderging die mij zo lang geleden had afgeschrikt.

Eigenlijk heb ik er nooit een verklaring voor kunnen vinden, of het moet de vreugdeloze omgeving zijn geweest waarin deze bejaarde mensen, zonder iets om handen te hebben en zonder noemenswaardige conversatie, met de vitrages op een spleet na gesloten, in een schemerige kamer bij elkaar zaten: een onwezenlijk tableau vivant met mijn grootmoeders zuster, tante Jans, stug en stijf aan het hoofd van de tafel, haar echtgenoot, oom Herman, in een roodpluchen leunstoel naast het ene raam en zijn zwager, oom Coen, in een zelfde stoel naast het andere, terwijl tante Met, de niet meer zo jonge dochter des huizes, in een hoek van het vertrek zwijgend zat te borduren.

Oom Herman was rentenier en droeg constant een pet. Hij woonde in zijn eigen huis en zijn enige bezigheid bestond in het ophalen van de huur van de meer dan vijftig panden die hij met vooruitziende blik in het oude Noorden van Rotterdam had opgekocht en laten herstellen. Volgens mijn grootmoeder was hij hierbij geholpen door zijn kapitaalkrachtige zwager, die zijn halve vermogen belangeloos ter beschikking had gesteld, op voorwaarde dat hij na het verlies van zijn ernstig zieke vrouw ze hadden geen kinderen bij haar broer en schoonzuster zou kunnen intrekken om er de rest van zijn leven te slijten.

Deze welgestelde weduwnaar, wiens linkerwang door een wijnvlek werd ontsierd, en wiens wens vanzelfsprekend was ingewilligd, had behalve zijn eigen stoel bij het venster een ereplaats boven de piano gekregen, vanwaar zijn geschilderde portret levensgroot in ebbenhouten lijst op zijn huisgenoten neerzag.

Wel had oom Coen destijds genoegen moeten nemen met een slaapvertrek aan de straatkant van het souterrain, terwijl het bed van zijn aangetrouwde nicht zich aan de achterzijde in een soort tuinkamer bevond, die uitkeek op verregende grindpaden met appel- en perenbomen en een kippenhok. Wanneer ik daar 's zomers mocht spelen, moest ik langs een smalle trap afdalen naar de gedeeltelijk beneden de begane grond liggende ruimte, waar diepe duisternis de twee nachtverblijven van elkaar scheidde en ik in toenemende paniek naar de glazen tuindeuren van tante Met's kamer holde.

Toen ik van school was, ging ik niet meer met mijn grootmoeder mee, die er nog jaren zij is heel oud geworden bleef komen. Oom Coen is er als eerste overleden (hij had zijn nicht als enige erfgenaam benoemd), daarna oom Herman en ten slotte tante Jans. Haar verscheiden veroorzaakte veel consternatie in de familie. Want na de begrafenis op Crooswijk en terugkomst in het sterfhuis, waar het portret boven de piano bleek te zijn verwijderd, had tante Met mijn grootmoeder onomwonden te kennen gegeven dat zij geen prijs meer stelde op haar wekelijkse bezoeken.

Bovendien bereikte ons kort daarop het verbijsterende bericht dat tante Met, de gefortuneerde oude vrijster, een relatie was aangegaan met de zaakwaarnemer van wijlen haar moeder een getrouwde man, wiens vrouw niet wilde scheiden die zij na zijn dood nog tien jaar in totale afzondering overleefde.

Het was haar uitdrukkelijke wens geweest dat zij door niemand naar haar laatste rustplaats zou worden begeleid, en tot grote verontwaardiging van haar neven en nichten bleek zij bij testament niet alleen te hebben bepaald dat haar vermogen aan het Rotterdamse Groene Kruis toekwam, maar ook dat zij haar huis naliet aan haar zaakwaarnemer, uit erkentelijkheid voor de correcte wijze waarop hij haar geldzaken had behartigd.

Ongeveer een halfjaar later kwam ik bij een van mijn bezoeken aan Rotterdam toevallig langs het huis waarin ik nog steeds bij tijd en wijle 's nachts ronddoolde, en ving door de kale ramen een glimp op van een leeg vertrek waar het behang van de muren was gescheurd. Toen er op mijn aanbellen werd opengedaan, legde ik uit dat ik, als achternicht van de vorige bewoonster, vroeger geregeld in dit huis placht te komen en dat ik het op prijs zou stellen als ik het nu, bijna zeventig jaar later, nog eens mocht terugzien. In plaats van de weigering waarop ik had gerekend, kreeg ik de uitnodiging binnen te komen, en plotseling liep ik met een vriendelijke, mij onbekende heer, die zei de huidige eigenaar te zijn, door de marmeren gang met het gekleurde glas in lood boven de voordeur en het fonteintje, en door de lege ruimte, waar de kamers met de gedecoreerde plafonds waren doorgebroken.

Bij mijn vertrek kreeg ik een foto mee die tussen de achtergebleven rommel was gevonden; hij toonde tante Met als twee- of driejarige naast het oudere zusje waarmee zij zich later nooit had willen verzoenen. De nieuwe bewoner vroeg mij nog eens terug te komen wanneer hij en zijn vrouw de woning zouden hebben betrokken.

Dat heb ik inderdaad gedaan, en nu kom ik weer af en toe in het huis, dat onherkenbaar is veranderd, evenals het souterrain en de tuin, waar het kippenhok is verdwenen en nog één appel- en één perenboom zijn overgebleven. Sindsdien heb ik er nooit meer van gedroomd.