Solidaire verzetsman

Willem van Lanschot, de oud-bankier die afgelopen vrijdag op 87-jarige leeftijd is overleden, was in de Tweede Wereldoorlog een van de Nederlandse verzetsstrijders van het eerste uur. Al direct na de Duitse inval in mei 1940 begon Van Lanschot, die beroepsmilitair en ritmeester bij de cavalerie was, met het verzamelen van inlichtingen en het samenstellen van rapporten die naar Engeland werden doorgegeven. In Utrecht was hij leider van een groep die via een Duitse militair, wiens ouders al veertig jaar in Nederland woonden, inlichtingen ontving en doorgaf.

Aan Van Lanschots verzetswerk kwam in 1942 een eind, toen hij werd gearresteerd en naar een gevangenis in Scheveningen werd overgebracht. Hij doorstond een `Dauervernehmung', een langdurig verhoor met mishandeling, van bijna honderd uur en werd vervolgens naar de concentratiekampen Haren en Amersfoort gestuurd en uiteindelijk naar Natzweiler, een Duits strafkamp in de Elzas voor politieke veroordeelden.

Toen dit kamp werd opgeheven, kwam hij in kamp Dachau bij München terecht. Nadat hij daar eind april 1945 door de Amerikanen was bevrijd, keerde hij terug naar Nederland. Vier jaar lang maakte hij deel uit van de staf van prins Bernhard, die hij al van voor de oorlog kende. In 1948 kreeg hij voor zijn verzetswerk als militair de Willemsorde, de hoogste onderscheiding voor militairen.

In 1949 werd Willem (voor vrienden `Bib') van Lanschot afgekeurd voor militaire dienstuitoefening. Sindsdien heeft hij zich intensief beziggehouden met invalide verzets- en oud-strijders die hun draai in de maatschappij niet meer konden vinden. Van enigerlei opvang was toen nog geen sprake, omdat er tijdens de wederopbouw nauwelijks belangstelling voor veteranenbelangen bestond. In 1945 was echter wel al de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers (BMNO) opgericht, waarvan hij zo'n dertig jaar voorzitter was. Ook was hij langdurig betrokken bij de Wereld Veteranen Federatie, waarvan hij eerst penningmeester, later voorzitter was. Hij was een meester in het inzamelen van geld. Zo was hij ook de initiatiefnemer van de BankGiroLoterij.

Nadat hij in 1949 werd afgekeurd als militair, ging hij in het bedrijfsleven. Hij was directeur van Philips-vestigingen in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Pakistan. In de jaren zestig stapte hij over naar het familiebedrijf Van Lanschot Bankiers, waarvan hij later president-commissaris werd. De laatste tijd vertoonde de oud-verzetsman zich niet meer in het openbaar, omdat zijn ouderdom dat niet langer toeliet.