Partij Koštunica wil vervroegde verkiezingen

De Democratische Partij van Servië (DSS), de partij van president Vojislav Koštunica, wil vervroegde verkiezingen; ze is niet van plan terug te keren in de Servische regering.

Dat zei gisteren een van de belangrijkste adviseurs van Koštunica, Obren Jokšimovic, die afgelopen vrijdag, toen de DSS zich terugtrok uit de Servische regering, nog minister van Gezondheid was. De DSS heeft de afgelopen twee dagen duidelijk gemaakt zich (nog) niet te hebben teruggetrokken uit de overkoepelende partijencoalitie DOS (Democratische Oppositie van Servië). De DSS heeft wel al haar ministers en onderministers uit de Servische regering teruggetrokken. Jokšimovic zei gisteren: ,,Ik bid tot God dat de regering van Servië op de volgende zitting van het parlement valt.'' De volgende stap zou moeten bestaan uit het uitroepen van vervroegde parlementsverkiezingen. De laatste verkiezingen werden in december vorig jaar gehouden.

Andere woordvoerders van de DSS lieten dit weekeinde in het midden of de partij vervroegde verkiezingen nastreeft. De fractieleider van de partij in het Servische parlement, Dejan Mihajlov, zei dat de poartij vooralsnog binnen de DOS blijft en ,,haar klachten binnen het bondgenootschap wil bespreken.'' ,,De DSS is lid van de DOS en daarom gaan we eerst naar de DOS alvorens we besluiten wat te doen. Maar we zullen geen rotte compromissen aanvaarden'', aldus Mihajlov.

Premier Zoran Djindjic heeft sinds vrijdag bij voortduring gehamerd op de noodzaak, de DOS intact te houden. Gisteren waarschuwde hij de partij van zijn rivaal Koštunica dat een uiteenvallen van de DOS alle resultaten van de hervormers te niet zou doen, buitenlandse investeerders zou afschrikken, het eind van zowel de Servische als de Joegoslavische regering zou inluiden en ,,een vraagteken zou plaatsen bij Kosovo en Zuid-Servië''.

De DSS stapte vrijdag uit de regering omdat die volgens haar te weinig doet aan corruptie en misdaadbestrijding en omdat ze te inefficiënt zou zijn. De stap kwam niet geheel onverwachts. Op 3 augustus werd in Belgrado een ex-agent van de Servische geheime dienst vermoord, kort nadat hij op het kantoor van president Koštunica details had gegeven over de samenwerking tussen hoge functionarissen van de regering en de georganiseerde misdaad. Toen dat in de openbaarheid kwam, brak een politieke crisis uit tussen Koštunica en zijn aanhang enerzijds en premier Djindjic en zijn aanhang anderzijds – een crisis die de toch al moeizame betrekkingen tussen beide kampen op scherp zette.

In Koštunica's kamp werd gespeculeerd over de banden tussen de regering en de mafia, in Djindjic' kamp werd de mogelijkheid van zulke banden uitgesloten en werden niet alleen bewijzen, maar ook excuses geëist.