Informatieconsument moet stem laten horen

Internet heeft grote behoefte doen ontstaan aan beveiligingssystemen voor auteursrechtelijke werken. De Europese Richtlijn `Auteursrecht in de informatiemaatschappij' moet nog door de Nederlandse wetgever worden geïmplementeerd en het is van groot belang dat ook minder goed georganiseerde belanghebbenden zich niet buitenspel laten zetten, meent Madeleine de Cock Buning.

De verveelvoudiging en verspreiding van auteursrechtelijk beschermde werken in digitale vorm zijn nauwelijks nog te controleren. De techniek zou uitkomst moeten bieden voor de problemen die zij zelf veroorzaakt.

Internet heeft grote behoefte doen ontstaan aan technische bescherming. Op dit moment zijn diverse beveiligingssystemen voor auteursrechtelijke werken operationeel. Sommigen zijn controversieel. Zo ontstond vorige week commotie over een artikel in het tijdschrift New Scienist waarin werd gesuggereerd dat illegale kopieën van met het Cactus Data Shield (CDS) beveiligde cd's bij het afspelen luidsprekers zouden beschadigen. Het bericht wordt overigens deze week gerectificeerd.

Wat er ook zij van de eventuele ongemakken van deze systemen, inmiddels is ruimschoots gebleken dat technische bescherming nimmer feilloos is. Er zijn altijd hackers die zich toegang kunnen verschaffen. Wanneer zij de gekraakte codes vervolgens op het internet plaatsen is het hek van de dam. Zo werd de CSS-bescherming van films op DVD gekraakt en is dit inmiddels wereldwijd verspreid.

Belanghebbenden hebben ook de Europese wetgever gewezen op de noodzaak voor extra garanties van de immer kwetsbare technische bescherming. In de Richtlijn Auteursrecht in de informatiemaatschappij die op 22 juni jongstleden werd gepubliceerd, is daarin voorzien.

Bovenop de technische bescherming is een extra laag juridische bescherming gecreëerd. Dat dit gevolgen zal hebben voor de auteursrechtelijke beperkingen in de digitale omgeving, zoals de kopie voor eigen gebruik of het citaatrecht, moge duidelijk zijn. Wat de gevolgen voor de gebruikers van informatieproducten zijn, zal echter mede afhangen van de implementatie van de Richtlijn door de Nederlandse wetgever.

De enkele toepassing van de zogeheten identificatiesystemen die de rechthebbende en de gebruiksvoorwaarden van een auteursrechtelijk beschermd werk identificeren, leidt niet tot beperking van de toegang tot informatieproducten en heeft evenmin gevolgen voor de auteursrechtelijke beperkingen. Dat is anders bij toepassing van systemen voor voorwaardelijke toegang en kopieersloten.

Technische bescherming volgt niet het in de loop der tijd zorgvuldig uitgebalanceerde auteursrechtelijke systeem waarin naast bescherming van auteursrecht ook de informatievrijheid en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is meegewogen. Dat is onder meer terug te vinden in de constitutioneel gerelateerde beperkingen van het auteursrecht, zoals de beperking ten gunste van het overnemen van nieuwsberichten, het citaatrecht en het recht om voor eigen oefening, studie of gebruik enkele kopieën te mogen maken.

Door het opwerpen van technologische barrières worden onderwerp en inhoud van de bescherming van informatieproducten als het ware opnieuw vastgesteld.Informatieproducenten kunnen online eenzijdig de drempel voor bescherming vaststellen.

Informatie die niet door enig recht van intellectuele eigendom beschermd wordt, kan door technische bescherming feitelijk aan het publiek domein worden onttrokken. Zo worden de facto informatiemonopolies gecreëerd. Thans off line geldende beperkingen op het auteursrecht kunnen bovendien buitenspel worden gezet wanneer de technologische bescherming wordt gecombineerd met contractuele voorwaarden.

De Europese Richtlijn voor het Auteursrecht in de informatiemaatschappij verplicht lidstaten maatregelen te nemen tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen, maar ook tegen het verkopen van systemen die aangeprezen worden om bescherming te omzeilen van door het auteursrecht beschermde werken.

Volgens de nieuwe richtlijn mag technische bescherming weliswaar omzeild worden voor het gebruik van informatie die tot het publiek domein behoort, zoals klassieke literatuur. De vraag is echter: mag die bescherming ook omzeild worden ten gunste van de uitoefening van de wettelijke beperkingen op beschermde werken?

De techniek is `blind', in die zin dat er – in ieder geval op dit moment – geen systeem bestaat dat een onderscheid kan maken tussen handelingen die wel of geen inbreuk maken op het auteursrecht. Daarom heeft de Europese wetgever een bepaling opgenomen op grond waarvan de lidstaten `passende maatregelen' dienen te nemen en ervoor dienen te zorgen dat een rechthebbende `de nodige middelen' verschaft aan de `begunstigden' van auteursrechtelijke beperkingen. Deze bepaling biedt bij nadere bestudering minder garanties voor gebruikers dan men op het eerste gezicht zou denken. De `passende maatregelen' behoeven namelijk uitsluitend genomen te worden ten aanzien van bepaalde begunstigden van beperkingen zoals bibliotheken, universiteiten en omroeporganisaties.

Het is mooi dat voor deze instellingen in de richtlijn een stok achter de deur is opgenomen. Tegelijkertijd kan men zich afvragen of niet juist een geheel andere groep een dergelijke stok achter de deur nodig heeft, namelijk de individuele informatieconsument die niet in enig georganiseerd verband optreedt. Ook hij moet de garantie hebben dat hij niet-inbreukmakende handelingen kan blijven verrichten.

Als het gaat om de beperking voor een kopie voor eigen studie, oefening of gebruik, gloort voor deze informatieconsument nog wel enige hoop. Het wordt echter volledig aan de discretie van de nationale wetgever overgelaten of deze maatregelen wenst te nemen om ervoor te zorgen dat een rechthebbende `de nodige middelen' verschaft om een kopie voor eigen oefening, studie of gebruik mogelijk te maken. Voor deze kopie dient de informatieconsument overigens begrijpelijkerwijs wel altijd een billijke vergoeding te betalen.

Leest men de desbetreffende bepaling uit de richtlijn verder, dan blijkt echter dat dit alles voor wat betreft internet niet zonder meer opgaat. Vermeld wordt namelijk dat een rechthebbende niet mag worden gedwongen `de nodige middelen' te verschaffen om gebruik dat onder een van de genoemde beperkingen valt mogelijk te maken voorzover het gaat om technisch beschermd materiaal dat `beschikbaar [is] gesteld op grond van overeengekomen bepalingen op een zodanige wijze dat leden van het publiek daartoe toegang hebben op een door hen individueel gekozen plaats en tijd'.

Deze wat onduidelijke bepaling zou bij strikte interpretatie het volgende kunnen behelzen. Wanneer een rechthebbende in een online (click trough)contract de gebruikers van zijn informatieproducten ermee akkoord laat gaan dat zij geen beroep zullen doen op de auteursrechtelijke beperkingen, kan hij niet gedwongen worden alsnog de nodige middelen te verschaffen. Wordt deze interpretatie door de Nederlandse wetgever gevolgd, dan zal dit belangrijke gevolgen hebben voor de auteursrechtelijke beperkingen online.

Nu het voor rechthebbenden op zijn minst verleidelijk zal zijn om op dergelijke voorwaarden toegang te verlenen tot hun informatieproducten, bestaat het gevaar dat informatielock-ups ontstaan. De beperkingen van het auteursrecht ten aanzien van het steeds belangrijker wordende online en on demand verspreiden van informatie door rechthebbenden kunnen worden `weggecontracteerd'. Steeds meer werken worden (in actuele vorm) uitsluitendnog online verspreid, bijvoorbeeld de online encyclopedie waaruit de gebruiker op een door hem gewenst tijdstip specifieke en geactualiseerde informatie kan opvragen.

Met name de combinatie van technische bescherming (voorwaardelijke toegang en kopieersloten), de juridische bescherming tegen iedere vorm van omzeiling daarvan en het gebrek aan een daadwerkelijk effectief vangnet om de gerechtvaardigde beperkingen ten aanzien van on demand aangeboden informatie op internet uit te kunnen oefenen, vormt een serieuze bedreiging van de informatievrijheid.

Het zal mede afhangen van de Nederlandse wetgever, die het nieuwe regime in de Nederlandse auteurswetgeving moet implementeren. Komt gebruikers(groepen) ten aanzien van online informatie nog een beroep toe op een deel van de bestaande auteursrechtelijke beperkingen? Het ministerie van Justitie, verantwoordelijk voor de implementatie, heeft een website geopend (www.minjust.nl/a_beleid/auteurswet) en krijgen dus ook minder goed georganiseerde belanghebbenden de mogelijkheid hun stem te laten horen. Dat lijkt me een uitgelezen kans.

Dr. M. de Cock Buning is advocaat te Den Haag en als universitair docent verbonden aan het Molengraaff Instituut, Universiteit Utrecht. Dit is een bewerking van een artikel in het tijdschrift I&I, nieuwe media in perspectief (www.cram.nl).