Hogesnelheidslijn 1

Het betoog van J. Nicolai (NRC Handelsblad, 16 augustus) `Zelfs één hogesnelheidslijn is één te veel', rammelt van het begin tot het eind. Er is geen HSL nodig volgens hem, want de verkorting van de totale reisduur van herkomst tot bestemming door de aanleg van de HSL kan beter worden bereikt door frequentieverhoging van de bestaande treindienst en vooral ook van het voor- en natransport, zodat de hinderlijke wachttijden worden bekort. Kennelijk hebben de ontwerpers van hogesnelheidslijnen nog nooit beseft dat een verplaatsing meer is dan alleen een rit per trein.

Verdubbeling van het aantal sneltreinen, in dit geval tussen Amsterdam-Schiphol en Rotterdam, moet immers mogelijk zijn, aldus de schrijver, want het kan ook in Japan. Alleen daar hebben ze als eerste land ter wereld al vele decennia geleden hogesnelheidspoorwegen gebouwd en dankzij de aldus mogelijk geworden fysieke scheiding van zeer snelle intercity- en van langzame (stop)treinen zijn inderdaad hoge frequenties realiseerbaar. Dat kunstje kunnen we in Nederland dus niet vertonen, voordat de sporencapaciteit drastisch is uitgebreid.

Verdubbeling van de frequentie bij het lokale openbaar vervoer is de rest van de aanbeveling van Nicolai. Gewoon alle bussen, trams en metrotreinen in lengte halveren, twee keer zoveel rijdend personeel in dienst nemen en de zaak is voor elkaar. Alleen zal de stedelijke weginfrastructuur deze toename veelal niet kunnen verwerken. Edoch geen nood, de tekorten bij het lokale openbaar vervoer zullen door deze maatregel jaarlijks met ongeveer een miljard gulden stijgen, zodat het uitgespaarde budget voor de hogesnelheids-spoorlijn toch binnen enkele jaren is opgesoupeerd. Maar wat nog ernstiger is, is dat in het betoog van Nicolai het feit wordt genegeerd dat méér dan de helft van de treinreizigers geen gebruik maakt van lokaal openbaar vervoer in het voor- en natransport. Zij komen lopen en fietsen, of laten zich naar of van het station vervoeren per taxi of eigen auto; hun percentage zal bovendien nog toenemen. Als ruimtelijk inrichter moet Nicolai toch weten, dat goed en snel treinvervoer arbeidsplaatsen en bezoekersobjecten aantrekt op loopafstand van de stations. En wat te denken van het belangrijke station Schiphol: daar begeven alle luchtreizigers zich te voet van het vliegtuig naar het spoorstation en vice versa.

Prof.ir Maurits van Witsen, emeritus-hoogleraar openbaarvervoerkunde en spoorwegbouwkunde aan de TU Delft