Concert

Omdat ik 20.000 toeschouwers voor een voetbalwedstrijd al meer dan genoeg vind, besloot ik zaterdagavond niet naar het befaamde Prinsengrachtconcert in Amsterdam te gaan. Het is een evenement geworden, en evenementen trekken horden aan en horden gaan joelen, stampen en op toeters blazen en ze drinken te veel en dan gaat het regenen en onweren en er breekt paniek uit omdat ze allemaal tegelijk naar huis willen en ten slotte moeten er mensen met onderkoelingsverschijnselen in het ziekenhuis worden opgenomen.

Zover is het Prinsengrachtconcert nog niet heen, maar men is halverwege. 's Middags heb ik een tijdje naar de voorbereidingen staan kijken. Om kwart voor twee klonk er opeens een toeter en brak een waar pandemonium op het water uit. Allerlei boten en bootjes mochten zich roekeloos naar voren storten om een plekje te bemachtigen bij het ponton voor hotel Pulitzer, waar het 's avonds allemaal ging gebeuren.

De boten ramden en verdrongen elkaar, terwijl de eigenaren vloekend op de voorplecht stonden. Een zeeslag op de Prinsengracht. De moordlust was losgebroken in de klassieke-muziekliefhebber. Wie kon bevroeden dat ze 's avonds met devoot hemelwaarts gekeerde gezichten naar Schubert zouden luisteren?

,,Trekken, Giel, trekken'', brulde een forse vrouw, gehuld in een Calvin Klein T-shirt, vanuit een enorme roeiboot naar haar zwetende zoon die het gevaarte met een touw aan de wal moest bevestigen. ,,Ik lig hier al dertien jaar op dezelfde plek en dat laat ik me niet afnemen'', verzekerde ze omstanders. Het was erop of eronder, dat was duidelijk. ,,Je moet er wel bij blijven, Giel!''

Inmiddels was ook op de wal de terreinafbakening begonnen. Vooral veel echtparen die houden nu eenmaal van afbakening hadden zich al tegen twaalven op hun plastic stoeltjes geïnstalleerd, thermosflessen en koeltassen in de aanslag. Vlak achter hen was een bierpomp verrezen om de eerste dorst te lessen. ,,Ik zit hier tot middernacht'', zei een vrouw opgelucht, ,,mij krijgen ze niet meer weg.''

Intussen zat op het ponton een eenzame figuur. De pianist. Arcadi Volodos. Een kleine gezette man met een boers gezicht en gehuld in een slecht zittend pak van onmiskenbaar Russische snit. Niemand nam veel notitie van hem. Hij zat achter zijn Steinway en liet flarden Rachmaninov over de gracht vloeien. Het rumoer op het water leek hem te ontgaan. Hij speelde alleen voor zichzelf en het klonk prachtig.

Af en toe begon de opnameleider een praatje met hem. Volodos lachte beleefd, knikte en zei iets terug, maar hij bleef Rachmaninov afwerken met de onbewogenheid van een barpianist die gewend is aan interrupties. In de deuropening van het Pulitzer was zijn vriendin verschenen, een bevallige gestalte in beige broek en bleekblauw T-shirt. Volodos begon aan Schubert.

's Avonds zag ik hem op tv. Hij was gekleed in jacquet en perste zijn gezicht in de smartelijkste grimassen, alsof zijn vriendin elk moment kon overlijden. De boten genoten. Eentje schijnt er omgeslagen te zijn: een mooie dood voor de vier opvarenden.