Wandelen

Broers waren ze. Ze woonden in één huis, ze aten van één tafel en ze zeiden nooit een woord tegen elkaar.

Ik heb deze mannen gekend, ik weet dat het begrip vermoeidheid voor hen onlosmakel1jk met werk verbonden was, werk dat ze hadden verricht in de polder, werk dat wortelde in de onbarmhartige klei van de Betuwe, werk dat geen rekening hield met hitte, regen en kou, werk dat behalve kapotte handen zelden meer opleverde dan een droog stuk brood.

Ze waren negentig. Ze hadden aardappels gepoot, bieten gedund en sloten geschoond. Ze spraken over dit werk met een mengeling van haat en ontzag, zoals mensen naderhand over een natuurramp spreken. En de vermoeidheid van een heel mensenleven was afgezet in hun botten, op hun stembanden, onder hun vingernagels.

Voor mij is het begrip vermoeidheid inmiddels onlosmakelijk verbonden geraakt met vrije tijd in het Berner Oberland, de hellingen rondom Grindelwald, een tocht via Bort en Waldspitz naar de Bachalpsee, en verder nog, langs Hagelsee en Hexensee naar een plek die op de kaart Wart wordt genoemd een vermoeidheid die als een mantel over je schouders komt te hangen, die je hele bestaan omspant.

Je voelt je voetzolen, je voelt je enkels, je kuiten, je knieën, je voelt de binnen- en de buitenkant van je dijbenen, je voelt je heupen en de onwaarschijnlijkste spierpartijen in je rug een vermoeidheid die je hele lichaam betekenis geeft.

Dan is het geluid van stenen die door gemzen worden losgetrapt op de wand aan de overkant alleen nog maar het geluid van stenen die door gemzen worden losgetrapt op de wand aan de overkant. Dan zijn de figuren die een patrouillerende steenarend boven de kam beschrijft alleen nog maar de figuren die een patrouillerende steenarend boven de kam beschrijft. Je zintuigen van elke gedachte bevrijd, je hersenen van elke plicht tot begrijpen ontslagen, leven in een roes.

Ze waren negentig, die mannen, de één een beetje somber, de ander bijna altijd opgewekt. Natuurlijk zijn ze allang dood. Natuurlijk blijf ik ze bij mijn bezigheden betrekken. Als ik ze over mijn vermoeidheid vertel beginnen ze te lachen, de één een beetje argwanend, de ander bijna altijd schamper.