NEUS DINOSAURIËRS ZETTE PALEONTOLOGEN OP VERKEERDE BEEN

Een vroege en inmiddels onjuist gebleken interpretatie van de leefomgeving van grote dinosauriërs is er de oorzaak van dat we altijd een verkeerd beeld hebben gehad van hun kop, en in het bijzonder van de positie van hun neusgaten. Toen de eerste grote dinosaurusskeletten in het begin van de negentiende eeuw werden ontdekt en als zodanig herkend, was de gedachte dat zulke grote dieren nooit op het land geleefd konden hebben: vanwege hun enorme gewicht zouden ze direct door hun poten zijn gezakt. Inmiddels weten we, door de talrijke vondsten die inmiddels zijn gedaan, dat het grootste deel van de nu bekende reuzendinosauriërs wel degelijk op het land leefde.

De eerdere interpretatie van de dinosauriërs als water- of moerasbewoners leidde ertoe dat bij de interpretatie van het uiterlijk van de kop, op basis van de beschikbare fossiele botten, een beeld werd aangehouden dat in diverse opzichten overeenkwam met min of meer vergelijkbare dieren nu, zoals de krokodil. Die hebben hun neusgaten zo hoog mogelijk zitten, om ook als ze verder vrijwel geheel onder water liggen, toch adem te kunnen halen. Zo hebben vanaf het allereerste begin illustratoren van dinosauriërs tot en met de filmmakers van Jurassic Park en vergelijkbare films de neusgaten zo hoog mogelijk ingetekend, wat inhield dat die neusgaten veelal ver vanaf het begin van de snuit lagen.

Dit beeld moet volgens Lawrence Witmer, een paleontoloog van Ohio University, volledig worden herzien (Science, 3 aug.). Hij herkende dat de vaak enorme `neusgaten' in de schedel van dinosauriërs tal van interpretaties mogelijk maakten wat betreft de positie van de neusgaten aan de buitenzijde. Daarbij kwam hij op basis van zijn onderzoek van de relatie tussen positie en functie van neusgaten bij andere diergroepen tot de conclusie dat het voor dinosauriërs gunstig moet zijn geweest als hun neusgaten zo ver mogelijk naar voren hadden gezeten: zo zouden het reuk- en smaakvermogen groter zijn geweest, en zou ook het inwendige neuskanaal langer zijn geweest. Dat zou de mogelijkheid hebben geschapen om het bloed dat naar de hersenen stroomde beter af te koelen. Bovendien zou het langere neuskanaal uiteraard een meer effectieve filter zijn geweest voor deeltjes die anders in de longen terecht zouden zijn gekomen.

Om na te gaan om zijn idee van de positie van de neusgaten bij dinosauriërs realistisch was, maakte Witmer röntgenopnamen van 45 dieren, eerst met de met dino's nauwst verbonden recente groepen: vogels, krokodillen en hagedissen. Daarbij gebruikte hij hulpmiddelen die zowel de neusgaten zelf als het neuskanaal en de beenderen (schedel met daarin het inwendige neusgat) op de foto's goed zichtbaar maakten. Hij vond daarbij dat in alle gevallen gelijke patronen bestonden, overeenkomstig het beeld dat hij van de dinosauriërs had. Als extra controle onderzocht hij echter ook nog de groeven en vergelijkbare verschijnselen die bloedvaten in de benige neusgaten van recente dieren veroorzaken, en hij vergeleek die patronen met soortgelijke markeringen in de schedels van dinosauriërs. De overeenkomsten bleken zo treffend dat er eigenlijk niet meer aan valt te twijfelen: op de kop van de dinosauriërs stonden de neusgaten ver naar voren, en veel minder hoog dan tot nu toe werd aangenomen. Paleontologen zijn lang bij de neus genomen door de eerste illustratoren. Het gevolg is dat nu eigenlijk alle films, maar ook de illustraties in de vele duizenden boeken over dinosauriërs zouden moeten worden herzien.