Hollands onvermogen

Het gaat goed met Nederland – in het buitenland. Trof je zo'n tien jaar geleden in buitenlandse kranten en opiniebladen aan één stuk door artikelen aan waarin Nederland werd afgeschilderd als de rotte appel in de mand van Europa, tegenwoordig wordt ons land in diezelfde media verheerlijkt. Al die hete hangijzers waaraan men in de rest van de wereld eindelijk voorzichtig zijn vingers brandt, werden hier het eerst aangepakt: abortus, homo-emancipatie, drugs, het milieu, euthanasie.

Geprezen wordt ons onvermoeibare pragmatisme, de niet stuk te krijgen monterheid waarmee de harde werkelijkheid onder ogen wordt gezien. Geen sociale ontwikkeling zo netelig, of er valt wettelijk wel een mouw aan te passen. Nederlanders, lees je in die commentaren, worden niet gehinderd door hypocrisie, traditionele belangen of ethische haarkloverij. In heel het Westen willen doodzieke mensen graag dood zijn, willen homo's gezinnen stichten en tieners marihuana roken; in Nederland hebben ze er iets aan gedaan.

Het gaat slecht in Nederland in Nederland. Lees Nederlandse kranten en weekbladen en er rijst het beeld op van een chronisch onvermogen om dingen voor elkaar te krijgen, een slepende nationale malaise. Er kan geen ramp plaatsvinden of de overheid blijkt op alle niveau's gefaald te hebben, van de plaatselijke brandwacht tot de verantwoordelijke minister. Alle dingen die in andere welvarende naties zo eenvoudig lijken, blijken in Nederland zo ingewikkeld dat niemand er meer uit komt: hoe de treinen op tijd te laten rijden, hoe genoeg plaats te maken in de ziekenhuizen, hoe psychiatrische patiënten onderdak te bieden. De bestuurders zelf kunnen het helemaal niet aan, dus moeten er rapporten geschreven worden door intelligente buitenstaanders – en die zeggen steevast dat alles fout is gegaan, dat niemand zijn verantwoordelijkheden heeft genomen. Ook sociaal is het misgegaan: het niveau van het onderwijs blijft achter bij dat in het buitenland; als er al onderwijs wordt gegeven, want er zijn veel te weinig leerkrachten. Terwijl veertig jaar van overheidswege tolerantie en behoud van eigen cultuur is gepredikt, blijkt de gedroomde multiculturele samenleving een riskant niemandsland, waarin van alles heeft plaatsgevonden, behalve integratie.

Hoe vallen die twee tegenstrijdige beelden van Nederland met elkaar te rijmen? Ze kloppen allebei. In heel Parijs hangen nu bijvoorbeeld affiches waarin een magnifiek fietsenplan wordt aangekondigd, ten behoeve van het milieu en het eigen geestelijk welzijn, zo ongeveer als in het Nederland van de jaren zestig. In diezelfde stad zag ik ook de nieuwe speelfilm van de Aziatische-Amerikaan Wayne Wang, The Center of the world, over twee jonge, ongelukkige mensen in Las Vegas; een film waarin getoonde seks eindelijk even vanzelfsprekend is als in de Nederlandse film Turks Fruit, gemaakt in 1974. De voortrekkersrol van de Nederlandse samenleving is onmiskenbaar – alleen is er in Nederland nooit een fietsenplan geweest dat ook gewerkt heeft. En de film van Wang wordt waarschijnlijk helemaal nooit in Nederland vertoond, vanwege het idiote beleid van de Nederlandse filmdistributeurs. Ook kun je moeilijk beweren dat Turks Fruit de bloei van de Nederlandse speelfilm heeft ingeluid. Het preutse Amerika heeft toch interessante filmmakers als Wang. Nederland heeft Theo van Gogh.

Leg die twee beelden van Nederland over elkaar heen, en je krijgt dit: euthanasie is hier als enig land ter wereld wettelijk geregeld, maar de doodzieken die dood willen moeten eerst nog maar zien dat ze ook aan de beurt komen. Een wachtlijst voor euthanasiegevallen, het lijkt me slechts een kwestie van tijd.

De vrijheden van het individu, daar richt de pragmatische politiek en wetgeving zich op die in het buitenland plotseling zo'n bewondering afdwingt. Het is een uitloper van de sociale revolutie die tijdens de jaren zestig in Nederland heeft plaatsgevonden; individuele behoeftes mogen niet geknecht worden in naam van het algemeen belang, dat zo vaak een dekmantel is voor hypocrisie en morele kortzichtigheid. Sinds de jaren zestig is moraal een zaak van het individu geworden – het recht om zelf je leven te bepalen, er zelf een einde aan te maken. Het is de taak van de overheid om die vrijheden vast te leggen en veilig te stellen, verder moet ze zich nergens mee bemoeien. Tegelijkertijd wordt de combinatie van moraal en gemeenschap als van nature verderfelijk gezien – een algemene moraal kan alleen maar eindigen in onderdrukking van persoonlijke verlangens en behoeften.

Zo'n twintig jaar geleden waagde de toenmalige premier Van Agt het op de valreep Nederland aan te sporen tot een ethisch reveil. Dat kwam er in de praktijk op neer dat je met niet meer dan vijftig mensen naar een pornofilm moest kijken, maar veelzeggend was de ongekende felheid van het hoongelach dat opsteeg; dit was een laatste, hopeloze poging om Nederland zoiets als een gemeenschappelijke moraal aan te praten – Nederland had wel iets beters te doen.

Daar ligt de oorsprong van die twee zo verschillende Nederlanden, het ethisch verlichte en het organisatorisch wanhopige Nederland: juist omdat de gemeenschap zich zo heeft ingespannen om het individu zijn vrijheid te verschaffen, is het idee van een gemeenschap zelf nagenoeg verdwenen. Alles wat het individu betreft, wordt van bovenaf snel en praktisch geregeld, wat gemeenschappelijk zou moeten zijn, wordt min of meer aan zijn lot overgelaten. Diepgeworteld is de angst om van bovenaf door anderen bestuurd te worden, en ook om zelf anderen te besturen. Tegelijk is er die roep om een `ethische revolutie', die na ieder bestuurlijk debacle weer opklinkt, de stille angst dat heel Nederland inmiddels is gaan lijken op café 't Hemeltje.

Er is een verschil tussen het ethisch reveil van Van Agt en de ethische revolutie die de huidige bestuurders prediken. Bij de eerste was de ethiek vooral een kwestie van zowel persoonlijke moraal als publieke zaak, van moreel goed gedrag in de ogen van anderen. Het hedendaagse verlangen naar een ethische ommekeer lijkt op het eerste gezicht zuiver praktisch; anders gezegd, laat ze eindelijk eens doen waarvoor ze zijn aangenomen, zodat de treinen op tijd rijden en onze gekken van de straat zijn.

Daar heb je echter wel degelijk een moraal voor nodig, alleen gaat het dit keer om een moraal die zich juist niet met het persoonlijke bezighoudt, die niet direct te maken heeft met seks of God of het recht op zelfvernietiging. Het gaat om het besef dat er zoiets als een publieke zaak bestaat, die het waard is om te dienen. Alleen met dat besef zullen de twee gescheiden Nederlanden herenigd kunnen worden.