Gratis kopiëren

Mensen zijn technisch wellicht makkelijker te klonen dan schapen, koeien, varkens en muizen. In tegenstelling tot deze dieren (die alle eerder in experimenten gekloond zijn) bezitten mensen een genetisch mechanisme dat onstuimige groei van de foetus voorkomt. Deskundigen menen dat een te snelle groei van de foetus tot gevolg heeft dat veel kloonpogingen eindigen in een miskraam, en dat veel klonen kampen met lichamelijke afwijkingen en overgewicht.

Een en ander concluderen wetenschappers onder leiding van de oncoloog Randy Jirtle van het Duke University Medical Center in Durham, North Carolina na een uitgebreid genetisch onderzoek onder diverse diersoorten (Human Molecular Genetics, 15 aug.). De Amerikanen bestudeerden de `inprenting' van het insuline-like growth factor II receptor (IGF2R)-gen. Inprenten is een natuurlijk fenomeen waarbij in het embryo selectief de kopie van een gen afkomstig van vaderszijde of van moederszijde wordt uitgeschakeld. Dat is in niet iedere diersoort hetzelfde.

Uit het onderzoek blijkt dat mensen, evenals andere primaten (ringstaartmaki's) en hun nauwste verwanten (vliegende maki's en toepaia's) twee actieve kopieën van het IGF2R-gen bezitten: één afkomstig van de vader en éen van de moeder. Bij knaagdieren en hoefdieren is dat van nature anders; daar is alleen een kopie van de moeder actief. Het IGF2R-gen van de vader is door inprenting afgeschermd en daardoor onwerkzaam.

Het IGF2R-gen wordt in verband gebracht met het zogeheten `large offspring syndrome' (LOS). De IGF2-receptor bindt de groeistimulerende stof IGF2 en is daardoor een rem op de ongebreidelde groei van het embryo. Maar als bij knaag- en hoefdieren de enige werkzame kopie van IGF2R tijdens het klonen ook ingeprent raakt, ontstaan er problemen. De klonen worden veel te groot in de baarmoeder en sterven vaak rond de geboorte. Ze hebben onderontwikkelde longen en een verminderde weerstand.

Volgens Jirtle blijft dit effect achterwege bij mensen. In tegenstelling tot wat uit eerder onderzoek bleek, vonden zijn medewerkers geen aanwijzingen dat het IGF2R-gen bij sommige mensen is ingeprent. De Amerikanen gebruikten voor hun onderzoek een nieuwe methode op basis van de analyse van puntmutaties (SNP's), een methode waarmee nauwkeuriger dan met voorgaande methodes kan worden bepaald of een gen al dan niet is ingeprent. In al het menselijk materiaal dat Jirtle's team onderzocht (12 placentamonsters, weefsels van 75 abortussen en 12 tumoren) troffen zij twee actieve kopieën van het IGF2R-gen. Geen spoor van inprenting. En dus, zo trekken de onderzoekers hun conclusie door, zijn de complicaties van een te snel groeiend embryo bij het klonen van mensen niet te verwachten. Ter illustratie daarvan voert Jirtle nog aan dat het LOS nooit is geconstateerd bij menselijke in vitro fertilisatie, maar wel een notoir probleem is bij de IVF van vee.

Volgens diverse kloonexperts gaat Jirtle, die zich in zijn lab niet met klonen bezighield en dat ook niet van plan is, veel te kort door de bocht door te veronderstellen dat het verschil van één ingeprent gen minder het klonen van mensen veiliger en makkelijker maakt dan het klonen van andere dieren. Er zijn bij zoogdieren ongeveer 45 ingeprente genen bekend en volgens recente onderzoeken hebben veel daarvan effecten bij het klonen.

In februari publiceerde een groep Schotse wetenschappers (onder wie de makers van schaap Dolly) een kort artikel in Nature Genetics waarin zij beschrijven dat behalve IGF2R ook andere ingeprente genen als H19 en IGF2 verantwoordelijk kunnen zijn voor het ontstaan van het LOS. En kortgeleden concludeerde de Amerikaanse kloonexpert Rudolf Jaenisch (Science, 6 juli) die het effect van inprenting bij muizenklonen onderzocht, dat er door de kloonprocedure abnormaal grote afwijkingen in de ingeprente genen ontstaan. Volgens Jaenisch raken deze genen volkomen willekeurig ontregeld. Onder welke omstandigheden de complicaties ontstaan blijft onduidelijk en daarom onvoorspelbaar.

De kloondeskundigen zijn nu vooral bevreesd dat de voorbarige uitlatingen van Jirtle koren op de molen zullen zijn voor wetenschappers als Severino Antinori en Brigitte Boisselier, die hebben aangekondigd binnenkort mensen te willen gaan klonen. Ze waarschuwen dat dergelijke experimenten nog steeds zeer ernstige lichamelijke gevolgen kunnen hebben voor moeder en kind.

Het IGF2R-gen speelt ook een rol bij het ontstaan van kanker. Het is vaak gemuteerd bij uiteenlopende tumoren en draagt bij aan de ongebreidelde groei. Jirtle en zijn medewerkers menen nu dat het ontbreken van inprenting van dit gen, mensen minder gevoelig maakt voor het krijgen van kanker dan bijvoorbeeld muizen. Voor het ontstaan van tumoren zouden immers beide kopieën tegelijk moeten muteren. Bij muizen, die maar één werkzame kopie van het gen hebben, is de kans veel groter dat het ontspoort. De onderzoekers wijzen erop dat dit wellicht belangrijke implicaties heeft voor het testen van medicijnen. Omdat negentig procent van alle nieuwe geneesmiddelen eerst op ratten en muizen worden getest, zijn al honderden van deze stoffen voortijdig afgevallen vanwege hun potentiële carcinogene werking. Dat was misschien voorbarig.