Geleerde correspondentie

De briefwisseling tussen de Leidse boekhandelaar Luzac en de Duitse wetenschapsredacteur Formey maakt duidelijk dat uitgevers in de achttiende eeuw vooral zakenlieden waren.

Wie in de achttiende eeuw de kosmos verklaarde zonder schepper of schepping, was niet alleen van god los, maar vroeg bovendien om moeilijkheden. De Franse arts Julien d'Offray de La Mettrie was er zo een. In 1746 was hij uit Frankrijk gevlucht omdat zijn materialistische ideeën de kerkelijke en wereldlijke overheid niet aanstonden. In Leiden, waar hij een veilig onderkomen had gevonden, deed hij opnieuw een poging uiting te geven aan zijn gemechaniseerde wereldbeeld.

La Mettrie kende Leiden nog uit zijn studententijd, toen hij bij de beroemde hoogleraar Boerhaave colleges volgde. Het intellectuele milieu trok hem aan en aangezien de Fransman in deplorabele staat in Holland was gearriveerd, hoopte hij voor zijn wetenschappelijke werken daar gemakkelijk een uitgever te kunnen vinden en er een belegde boterham aan te kunnen overhouden. Dat leek hem aardig te lukken.

Op het Rapenburg, vlakbij de universiteit, bevonden zich diverse wetenschappelijke boekhandelaars. Die hadden zich daar gevestigd in de hoop hun intellectuele waar gemakkelijk aan studenten en geleerden te kunnen slijten. Er was echter nog een reden om in de buurt van de universiteit een boekhandel te hebben. In de achttiende eeuw was geen sprake van contant geldverkeer tussen boekhandelaars onderling. Bestellingen bij collega's konden ze alleen `betalen' door te ruilen. Om over ruilwaar te beschikken moesten ze daarom ook zelf als uitgever actief zijn. Vandaar dat de boekhandelaars op het Rapenburg achter iedere geleerde voorbijganger een schrijver voor hun fonds vermoedden. Om die reden ook deden wetenschappelijke boekhandelaars hun uiterste best niet alleen vriendschappelijke banden aan te knopen met hun geleerde clientèle, maar ook trachtten zij intellectuele discussies te voeren. Wat het aantrekken van wetenschappelijke auteurs aangaat kon een boekhandelaar-uitgever niet geleerd genoeg zijn.

Een van de boekhandelaars op het Rapenburg was Elie Luzac (1721-1796). Enkele jaren nadat hij voor zichzelf was begonnen, in 1747, klopte La Mettrie bij hem aan met het verzoek L'Homme Machine uit te geven. Het verscheen anoniem, zoals dat indertijd wel vaker gebeurde. Nog voor het goed en wel in de winkel lag, was het voor La Mettrie en Luzac gedaan met de rust. Het materialistische werk, waarin de functies van het menselijk lichaam worden verklaard uit de werking van zijn organismes en niet door goddelijke wetten, veroorzaakte grote beroering, niet alleen in Leiden zelf, maar ook ver buiten de Republiek.

OP HET MATJE

Direct na verschijnen werd de uitgever bij de Waalse kerkenraad op het matje geroepen. Een werk waarin de mens verklaard wordt zonder te praten over ziel of God, was libertijns, getuigde van atheïsme en moest dus krachtig geweerd worden. L'Homme Machine werd in beslag genomen maar dat weerhield Luzac er niet van om binnen de kortste keren met een herdruk op de markt te komen. Uiteindelijk werd zelfs de wereldlijke overheid erbij gehaald om het boek te kunnen verbieden. De uitgever werd het vuur zozeer aan de schenen gelegd dat hij zich genoodzaakt zag zich van alle blaam te zuiveren en een verdedigingsgeschrift te schrijven. Hij ontkende daarin L'Homme Machine te hebben geschreven, maar bleef weigeren de naam van de werkelijke auteur te noemen. Dit overigens ondanks de streek die La Mettrie hem geleverd had door vlak voor het ter perse gaan in de drukkerij allerlei vèrgaande inhoudelijke wijzigingen in het manuscript aan te brengen waardoor Luzac niet helemaal op de hoogte was van het subversieve karakter ervan.

Het verbod en alle commotie eromheen speelden Luzac wel in de kaart. Het boek werd een internationale bestseller. Desondanks werd de grond La Mettrie te heet onder de voeten. Bij toeval bereikte hem in die tijd een verzoek uit Duitsland zijn wetenschappelijke bezigheden te verplaatsen naar de Academie van Wetenschappen in de Pruisische hoofdstad. Aldus geschiedde. Met hulp van zijn uitgever wist de Franse geleerde de grens over te vluchten, richting Berlijn.

Deze opzienbarende kwestie komt aan de orde in de brieven die Luzac tussen 1748 en 1770 schreef aan de secretaris van diezelfde Academie van Wetenschappen te Berlijn, Jean Henri Samuel Formey (1711-1797). Duidelijk wordt dat de uitgever ondanks alle vriendschappelijke betrekkingen primair ondernemer was en geen geld over de balk wenste te smijten. Misschien kon Formey ervoor zorgen dat La Mettrie zijn schulden bij Luzac terugbetaalde?

De correspondentie is zojuist in druk uitgebracht door de Nijmegenaren Hans Bots en Jan Schillings. De uitgave bevat 193 brieven die teruggevonden zijn in de Staatsbibliotheek te Berlijn en nog eens 20 brieven die zich momenteel bevinden in de Bibliotheca Jagiellonska te Krakau. Die laatste brieven hebben sinds de Tweede Wereldoorlog als onderdeel van een veel grotere collectie archivalia een lange zwerftocht gemaakt door het voormalige Oostblok, nadat de Russen het Berlijnse archiefmateriaal als oorlogsbuit had geconfisqueerd. Uiteindelijk kwam het terecht in een bunker in Polen, waarna ieder bestaan ervan werd ontkend. Inmiddels is bekend dat de Leidse brieven zich in de universiteitsbibliotheek in Krakau bevinden.

De egodocumenten bieden de hedendaagse lezer een inkijkje in de wetenschappelijke boekenhandel in de achttiende eeuw. Die was niet aan landgrenzen gebonden. Integendeel. Uit de correspondentie blijkt dat geleerden en boekhandelaars beschikten over een groot internationaal netwerk. De voertaal was Latijn of zeker onder de Hugenoten Frans. Formey, van wie jammer genoeg geen enkele brief bewaard is gebleven, was net als Luzac van Frans-Hugenootse afkomst. De brieven van de Leidse uitgever illustreren tevens het belang van de Nederlandse uitgeverij voor het Europese intellectuele debat in de achttiende eeuw.

In zijn omvangrijke oeuvre begaf de Berlijner zich voornamelijk op filosofisch en theologisch terrein. Met zijn geschriften populair-wetenschappelijk van aard moest hij zijn brood verdienen. Niet vreemd wanneer men bedenkt dat hoogleraren aan Nederlandse universiteiten evenzeer genoodzaakt waren hun inkomen aan te vullen met schrijf-, vertaal- en correctiewerk, privaatlessen of zelfs kamerverhuur. Ook voor hen was een goede relatie met boekhandelaars van levensbelang.

GELD

Formey was als redacteur aan talloze wetenschappelijke tijdschriften verbonden. Zo ook aan de Bibliothèque Impartiale, uitgegeven door Elie Luzac en zeker de eerste verschijningsjaren vrijwel geheel geschreven door Formey. Het blad bevatte essays over actuele wetenschappelijke kwesties en besprekingen van recente publicaties. De correspondentie tussen Luzac en Formey laat zien dat het ook geleerden om het geld te doen was. Langdurig werd er onderhandeld over de salariëring, auteursexemplaren, onkostenregelingen en de autonomie van de schrijver ten opzichte van de uitgever.

Uit de brieven blijkt eveneens dat Luzac langzamerhand het hoofdredacteurschap naar zich toe trok. Het was dan ook lastig iedere keer ingekomen brieven, kopij en drukproeven naar Berlijn te sturen. Die waren al gauw een week onderweg. Of ze raakten beschadigd, of kwamen nooit bij Formey aan. Daarnaast probeerde de uitgever wetenschappelijke werken uit zijn eigen fonds in het tijdschrift besproken te krijgen. Het blad mocht dan wel `impartiale', onafhankelijk zijn, toch meende Luzac in het redactionele beleid zijn invloed te kunnen doen gelden. Voorts verschilden de twee sterk van mening over het recht van de uitgever om eigenmachtig wijzigingen in de teksten aan te brengen. De Berlijnse geleerde stond op het standpunt dat zonder zijn instemming in zijn teksten tittel noch jota veranderd mocht worden. De uitgever daarentegen vond het onpraktisch om voor iedere wijziging weer een brief naar Berlijn te sturen. Het werd een discussie die 250 jaar na dato nog altijd gevoerd wordt tussen wetenschappers en redacties van wetenschappelijke tijdschriften. Uiteindelijk bekoelde de aanvankelijk hartelijke relatie tussen schrijver en uitgever en toen na acht jaar bleek bleek dat het geleerdenblad in deze vorm een achterhaald concept bleek, besloot Luzac er een punt achter te zetten.

De brieven zijn voorzien van beknopte annotaties. Dat is prettig want veel wetenschappelijke grootheden naar wie Luzac verwijst, zijn sinds lang in de vergetelheid geraakt. Bovendien wordt de lezer niet nodeloos opgehouden door overbodige biografische of wetenschapshistorische informatie. Desondanks had dat laatste wel iets uitvoeriger aan de orde kunnen komen in de inleiding. Verschillende hete hangijzers in de toenmalige wetenschap komen immers in de brieven ter sprake.

Specialistische kennis is nodig om te begrijpen wat de controverse was tussen de president van de Berlijnse Academie van Wetenschappen, de wiskundige Pierre Louis Moreau de Maupertuis, en Johann Samuel Koenig, als wis- en natuurkundig geleerde woonachtig in Den Haag. Luzac kende de laatste persoonlijk, Formey was naaste medewerker van Maupertuis. Vandaar dat de twee stof genoeg hadden om over de kwestie te corresponderen. Bovendien was Luzac, zelf Leibnitziaan, om wetenschappelijke redenen geïnteresseerd in de beschuldigingen van Koenig aan het adres van de Maupertuis. Die zou bepaalde uitspraken over het beginsel van de kleinste werking, uit de klassieke mechanica, hebben ontleend aan Leibnitz maar zelf met de eer willen strijken. Bewijzen kon Koenig echter niets en dus ontwikkelde de strijd tussen beide geleerden zich tot een sensationele, internationale, wetenschappelijke oorlog.

Zijn eigen wetenschappelijke ambities ten spijt en voorts niet gehinderd door enige wetgeving inzake auteursrecht bracht Luzac zowel de geschriften van Maupertuis als die van Koenig uit. Ook van andere geleerden die zich met het geschil bemoeiden, onder wie Voltaire, publiceerde de Leidenaar de geschriften. Daarmee is de rode draad in de brieven van Luzac aangegeven: uitgevers waren ook in de achttiende eeuw zakenlieden, die zelfs niet te beroerd waren voordeel te trekken uit dit soort wetenschappelijke twistpunten.

Hans Bots en Jan Schillings (ed.): Lettres d'Elie Luzac à Jean Henri Samuel Formey (1748-1770). Regard sur les coulisses de la librairie hollandaise du XVIIIe siècle. Parijs, Honoré Champion 2001. ISBN 2-7453-0386-4. Prijs: ƒ164,60 (85 CHF).