Een zwakke overheid is een gesel voor de democratie

De mondialisering, de verspreiding van kernwapens – het zijn ontwikkelingen die kordate beleidsreacties vereisen van dynamische leiders. Maar de huidige regeringsleiders blinken uit in zwakheid met alle gevaren voor de democratie vandien, meent Marcin Krol.

De beste overheid is de minste overheid. Zo denken liberalen er meestal over. Vooral omdat we bang zijn dat een overheid, zodra ze machtig wordt, maar een kleine stap hoeft te zetten om het soort gruweldaden te begaan die de moderne tijd beheersen.

Als recept voor een democratische overheid leek die opvatting – althans in vredestijd – zo'n tweederde van de 20ste eeuw wel bruikbaar (met als uitzondering het bewind van Charles de Gaulle in Frankrijk). Toen kwamen er mensen als Margaret Thatcher en Ronald Reagan. Die hadden ogenschijnlijk – of daadwerkelijk – de leiding over sterke regeringen en veranderden hun maatschappijen enorm. Ze werden opgevolgd door leiders als Bill Clinton, Gerhard Schröder en Tony Blair. Opeens werd `weinig overheid' de mode – tot op zekere hoogte. In Japan heeft het idee van weinig overheid na tien jaar verlamming flinke averij opgelopen.

Terwijl in het Westen weinig overheid de trend werd, ontdeed post-communistisch Oost-Europa zich van de erfenis van sterke (dat wil zegen communistische) overheden die zwakke ideeën uitventten. De zieke post-communistische maatschappijen leken nieuwe leiders te vergen. Maar wat voor soort? Moesten het leiders à la Thatcher zijn, die de maatschappij bij haar nekvel grepen en verandering teweegbrachten, of waren passieve leiders als Clinton en Schröder te verkiezen, in de hoop dat weinig overheid niet de economische groei zou vertragen?

In Polen wilde de liberale braintrust van Solidariteit eerst weinig overheid, maar men zag in dat dat onmogelijk was. Toen Solidariteit in 1990 aan de macht kwam, was het dan ook zo eerlijk om te zeggen dat de `spontane orde', bepleit door hun held Friedrich von Hayek, niet zou werken, omdat hervorming van bovenaf moest worden opgelegd.

Maar de opgelegde veranderingen deden pijn en die eerste regering van Solidariteit werd bij die eerste gelegenheid door de kiezers weggestuurd. De zogeheten post-communisten die daarna kwamen keken naar het Westen en kozen voor het model van weinig overheid. Ze deden heel weinig anders dan de eerste regering van Solidariteit; bovendien deden ze hoe dan ook niet veel. De economie bleef zich goed ontwikkelen, maar mensen vonden hun leven nog altijd te veel pijn doen. Dus werden de post-communisten bij de volgende verkiezingen verslagen door de AWS, de `kiezersalliantie van Solidariteit'.

Eens te meer beloofde Solidariteit een sterke overheid. In hoog tempo voerde premier Jerzy Buzek vier grote hervormingen door: van het plaatselijk bestuur, de gezondheidszorg, de pensioenen en het onderwijs. Alle vier leken goedbedoeld, maar weer deden ze pijn. Toen premier Buzek en zijn telkens wisselende ministers het onbehagen onder het volk voelden, waren ze opeens geen activisten meer. In een handomdraai veranderden ze van een sterke in een zwakke, ja zelfs laffe overheid.

Maar in de praktijk is het voor een overheid onmogelijk om niets te doen. Want stilstand is achteruitgang. Bovendien zijn mensen die de politiek in willen geboren activisten; als ze hun handen niet vol hebben aan het beleid, ontdekken ze wel andere bezigheden. Diefstal bijvoorbeeld. In de regering van Boris Jeltsin na 1996 bleek zelfs dat diefstal voor ministers een volle dagtaak kan zijn. Natuurlijk kwamen de Poolse politici met een vriendelijker term voor dergelijk eigen gewin. Ze noemden het `gebruik van macht voor hun eigen doeleinden'.

Naarmate de publieke onvrede met de regering-Buzek haar kans op herverkiezing verkleinde, grepen diefstal, bedrog en corruptie wild om zich een. Met het verval van de AWS-coalitie kwam ook de klad in de saamhorigheid tussen de ministeriële dieven. Algauw onthulde het nieuws elke avond wel een nieuw geval van corruptie. Op slappe nieuwsdagen werd alleen een staatssecretaris ontmaskerd. Op drukke dagen zag je ministers zèlf met hun hand in de kas.

In een wereld van onbekwaamheid en corruptie moeten liberalen niet vasthouden aan weinig overheid. De eerste regering van Solidariteit slaagde er niet in te worden herkozen, maar elke Poolse regering heeft sindsdien wel de vruchten van haar beleid geplukt. Tien jaar na het vertrek van Thatcher is haar beleid in Engeland nog grotendeels van kracht. Kordate democratische regeringen `winnen' omdat ze zien dat hun beleid `overeind' blijft, ook nadat ze zijn verslagen.

De liberalen moeten dus aansturen op dynamische leiders van het soort dat aan het bewind was in de eerste regering van Solidariteit. Want er is niet alleen een sterke leiding nodig in hachelijke tijden maar ook in goede – democratieën verrotten namelijk van binnenuit. Zie de Franse Derde en Vierde Republiek, de Italiaanse Eerste Republiek, de Duitse Weimarrepubliek en Argentinië vóór Juan Perón; zwakte leidt tot cynisme, en dat leidt weer tot passiviteit. De democratie wordt van binnenuit uitgehold.

Ten tweede bevordert nietsdoen de corruptie. Politici zonder beleid hebben alleen de politiek. Zie de regering van François Mitterrand in Frankrijk. Nadat die zich had onttrokken aan haar linkse verplichtingen van 1981-'83, had ze niet echt meer een beleid. Het enige dat telde was haar voortbestaan en daar was geld voor nodig. Grootscheepse corruptie was vrijwel het natuurlijke gevolg daarvan.

Ten derde vergt onze wereld serieuze politieke daden. De mondialisering, de verspreiding van kernwapens, wetenschappelijke vorderingen zoals klonen – ze vereisen kordate beleidsreacties. Overheden die hun politieke spieren laten verslappen kunnen dat soort thema's niet meer aan. Ze zullen maar wat aanknoeien en daarmee misschien wel tijd winnen, maar dat maakt de prijs van een oplossing veel hoger.

Helaas levert nietsdoen tegenwoordig de hoogste politieke beloningen op. Bill Clinton deed acht jaar niets, François Mitterrand twaalf. De regering van Tony Blair nam haar meest riskante besluiten in de eerste weken van diens eerste termijn en heeft daarna weinig meer gedaan. Zijn passiviteit werd beloond met een daverende herverkiezingsoverwinning.

Met deze `succesverhalen' in het achterhoofd lijkt kanselier Schröder inmiddels vastbesloten om ook in Duitsland tot aan de volgende verkiezing niets te doen, hoewel de Duitse economie stagneert. Ook de Poolse post-communisten, die zeker lijken van de verkiezingsoverwinning in september, zullen waarschijnlijk niets doen en erop vertrouwen dat hun erfenis zal zijn een uitnodiging zich aan te sluiten bij de EU – een beslissing die in Brussel wordt genomen, niet door hen.

Wat zullen de gevolgen zijn van deze survival of the weakest, van dit politieke omgekeerde darwinisme? Op eerdere momenten dat democratieën van binnenuit verzwakt raakten, bleken we grote narigheid te krijgen. Dat zou wel eens opnieuw kunnen gebeuren.

Marcin Krol is deken van de faculteit der Geschiedenis van de Universiteit van Warschau.