De verstilde en bezonken kunst van Jan Mankes

De fijnzinnige, jong gestorven schilder Jan Mankes (1889-1920) hield van roofvogels en kraaien, een oude geit, paarden, de gebleekte schedels van vogels en dieren. Hij groeide op in het eertijds armzalige gebied ten zuiden van de Compagnonsvaart bij Heerenveen, in De Knijpe. De dorpsjongens haalden jonge kraaien uit het nest en gaven die de schilder.

In de tuin verzorgde Mankes een kerkuil in een kooi. Hij heeft zichzelf met die wijze vogel afgebeeld in een schitterend zelfportret uit 1911. De fonkelend-zwarte ogen van de uil en de even zwarte ogen van de schilder kijken de beschouwer indringend aan. Man en vogel zijn frontaal geschilderd in tere, blanke, bruine en licht-okeren kleuren.

Mankes werd tot dit portret geïnspireerd door een werk van Holbein dat hij uit het Mauritshuis in Den Haag kende. Het beeldt valkenier en edelman Robert Chesemann uit 1533 af met op zijn vuist gezeten een slechtvalk met leren kapje op, bellen aan de poten.

In het voormalige patriciërshuis aan de Arnhemse Bovenbeekstraat biedt het Historisch Museum Arnhem een fraaie, verstilde expositie aan het werk van Mankes. Het is onvoorstelbaar dat Mankes op zeer jonge leeftijd al zijn vaste stijl en thematiek had gevonden. Tuberculose velde hem op 31-jarige leeftijd. Zijn uitgangspunt bij het schilderen was dat de onderwerpen `toch in den schilder (zitten) en nooit daarbuiten.'

Zijn schilderijen van flora en fauna moeten we dan ook bezien als de uitdrukking van zijn innerlijke bewogenheid, en dat betekent bij hem: zijn vroegtijdige confrontatie en dus bemoeienis met de dood.

Je zou Mankes de J.H. Leopold onder de schilders kunnen noemen. Bij hem treft diezelfde verstilling en bezonkenheid, die eenzelvige afgekeerdheid van de wereld.

Dat laatste betekende overigens niet dat hij tijdens zijn leven zich niet voor politieke en maatschappelijke zaken interesseerde. Hij vond zijn tijd `ernstig'. De grote oorlog, de Eerste, woedde in de jaren dat hij als schilder zich ongemeen puur bekwaamde. Een abonnement op de NRC en lokale kranten brachten het nieuws binnen.

Mankes werd in Meppel geboren en verhuisde op vijftienjarige leeftijd naar Delft. Daar werd hij leerling aan een glaswerkfabriek. In Den Haag volgde hij lessen aan de Academie voor Beeldende Kunsten.

In 1909 verhuisde Mankes met zijn ouders naar de zuidoosthoek van Friesland. Hij trouwde met Annie Zernike, de eerste vrouwelijke theologe van Nederland. Zij was in dienst getreden bij de Hervormde Kerk van De Knijpe.

Om verlichting voor Mankes ziekte te vinden, trokken ze naar het bosrijke Eerbeek bij Arnhem. Hier bereikten zijn ingekeerde landschapsschilderingen een hoogtepunt.

De talrijke dode vogels die Mankes schilderde, onder andere van twee sperwers liggend op de rug, is zijn vertaling van het vanitas-motief. Nauwkeurig toont hij de kleurschakeringen op het verenkleed, zuiver realistisch. En toch weet Mankes aan de dode dieren een vergeestelijke, symbolische betekenis te geven. Dat geldt voor tal van zijn schilderijen.

De stilte in zijn werk wordt veroorzaakt door het ingehouden, gedempte kleurgebruik en de evenwichtige compositie. De twee roofvogels liggen zij aan zij, als twee symmetrische vormen. In een brief aan zijn mecenas, de kunstkenner A.A.M. Pauwels, schreef Mankes in 1913: `Kunst is een uiting geven aan geestelijk leven. Aangezien het zuiver geestelijke, het onnoembare niet te noemen is, neemt men stoffelijke dingen te baat als middel. [...] Schilderen is dus nooit een afbeelding geven der stoffelijke zaken, maar een psychische functie, een uiten hoe de geest reageert ten opzichte der dingen.'

Een treffend voorbeeld van die `vergeestelijkte uiterlijkheid' die Mankes nastreeft, is te vinden in het kleine olieverf Vaas met jasmijn uit 1913. De donker gehouden achtergrond is dromerig-atmosferisch. De contouren van de vaas versmelten met hun omgeving. Van het bosje jasmijn zijn slechts enkele bloemblaadjes scherp, de andere aan de achterzijde zijn bewust onscherp gehouden. Er gaat een onmiskenbare betovering van dit werkje uit, dat lijkt op een ijle schim die verdwijnt in de nacht.

Mankes kon ook realistisch schilderen: een geit, een werkpaard, de Compagnonsvaart, een tijgerschedel. Maar door belichting en scherpe penseelvoering wordt het realisme geladen met een expressief symbolisme.

In 1913 beeldde hij zichzelf nog eens af: een in krachtige lijnen opgebouwde kop die hoog uitrijst boven het Friese landschap, waarin koeien en de rode kap van een boerderij liggen verzonken. Opnieuw is het een frontaal zelfportret, perfect evenwichting opgebouwd.

Als bij geen ander schilder kijken de mensen en dieren de toeschouwer rechtstreeks aan met een blik die zweeft tussen distantie en gevoeligheid, tussen verwondering en hardvochtigheid. Daarmee geeft hij vogels een menselijke maat. Een torenvalk of kerkuil spiedt scherp om zich heen, neemt je als kijker gevangen in die intrigerende blik.

Gewoontegetrouw wordt zijn werk in vier stijlen en respectievelijke perioden beschouwd: dromerig (1908-1910), symbolisch (1910-1913), expressief-realistisch (1913-1916) en een synthese van dit alles in zijn laatste levensjaren. Het is een onderscheid dat niet altijd werkt. Er schuilt een kracht in hem die op elk schilderij aanwezig is, namelijk om een voorwerp te bezielen, zoals een dichter door zijn kunst elk woord, hoe gewoon ook, kan bezielen. Die gave straalt je tegemoet vanaf elk schilderwerk.

Tentoonstelling: Jan Mankes 1889-1920. Historisch Museum Arnhem. Bovenbeekstraat 21, ARNHEM. T/m 9/9. Di-vr 10.00u-17.00u; za-zo 11.00-17.00u. Catalogus: Uitg. Veen/ Reflex ƒ39,50. Inl.: (026) 442 69 00.