De teloorgang van de griendcultuur

robbert wolf, anton stortelder, rein de waal e.a. ooibossen, deel 2 in de serie `bosecosystemen in nederland'. knnv uitgeverij, utrecht, 2001. 200 pag., ill. prijs ƒ79,50. isbn 90 5011 115 7.

Aan het eind van de Middeleeuwen raakte langs de grote rivieren de griendcultuur in zwang. De wilgen, die spontaan op opgeslibde zandplaten in de riviermondingen groeiden, bleken het beter te doen als ze niet te lang of te vaak overstroomden. Om het rivierwater sneller af te voeren werden greppels en kaden met duikers aangelegd. Zo bracht het land in het getijdengebied, waar het peilverschil tussen eb en vloed wel twee meter of meer bedroeg, toch nog wat op. De oer-Hollandse geschiedenis van de grienden wordt uitvoerig beschreven in het boek Ooibossen, pas verschenen bij de uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV).

Het boek geeft zicht op een vrijwel verdwenen wereld. Je had snijgrienden, die jaarlijks of om de twee jaar werden geoogst, naast hakgrienden, waar de wilgen eens in de drie of vier jaar werden afgehakt. Dat gebeurde in de wintermaanden, als de sapstroom van de wilgen stillag. Vaak waren de griendwerkers seizoenswerkers, die 's zomers in de landbouw of waterbouw werkten en 's winters in de grienden. Ze maakten lange, zware dagen. In de Biesbosch overnachtten ze in primitieve tenten van wilgentakken en riet en alleen in het weekeinde gingen ze naar huis.

Het hakken geschiedde met een hiep of rijshaak: een bijl met een `omgekeerd' blad, het snijden met een vlijmscherp haak of sikkelvormig mes. De takken werden geoogst met één flitsende klap, van onder naar boven. Het was zwaar en gevaarlijk werk en vooral in de late avondschemering gebeurden er veel ongelukken. Nog altijd is de griendcultuur louter handwerk. De grienden zijn niet alleen slecht toegankelijk en slecht berijdbaar voor machines, maar bovendien zouden de stoven (zoals de afgehakte boomstronken worden genoemd) te veel beschadigen.

Naast hoepelfabrikanten, aannemers van waterwerken en handelaren hadden ook baksteenfabrikanten in de uiterwaarden soms hun eigen grienden. De aangeplante wilgen bevorderden de opslibbing van klei in de uiterwaarden en de arbeiders konden in de wintermaanden, wanneer de baksteenproductie stillag omdat de `vormelingen' niet goed konden drogen, in de grienden hun brood verdienen. Tegenwoordig worden de stenen machinaal gedroogd en gaat de productie het hele jaar door.

De wilgentenen werden in manden, eendenkorven, visfuiken en ander vlechtwerk gebruikt en het hout vond toepassing in de hoepels van vaten. Men gebruikte de langste stammetjes, uit 5- of 6-jarige grienden, zogeheten 16- en 15-voeters, voor vaten voor de suikerfabricage, de 14-voeters voor wijnfusten, de 13-voeters voor vleeskuipen, de 12- en 10-voeters voor jeneverfusten, de 9-voeters voor biervaten, om nog maar te zwijgen van de haring- en botervaatjes, de zeeptonnetjes en meestooffusten (verfvaten). Houten tonnen en vaten waren in de dagen vóór de uitvinding van de kunststoffen zeer geliefd als verpakkingsmateriaal en naarmate de industriële revolutie vorderde, nam de vraag sterk toe. Omstreeks 1900 bereikte de griendcultuur langs de grote rivieren met zo'n 14.000 hectare een hoogtepunt.

Na de Tweede Wereldoorlog vervingen moderne kunststoffen de meeste traditionele toepassingen van het wilgenhout, maar door het op gang komen van de Deltawerken en de aanleg van de IJsselmeerpolders nam de vraag naar griendhout voor oeververdedigingen en zogeheten `zinkstukken' in de waterbouw juist scherp toe. Na het voltooien van de grote waterwerken stortte de vraag naar griendhout in. De grienden werden niet meer onderhouden en schoten door. Alleen bij natuurbeschermingsorganisaties wordt deze eeuwenoude traditie nog in stand gehouden. Er wordt nog zo'n 200 hectare griend gehakt, vooral langs de Oude Maas.

In het moderne jargon worden de grienden gerekend tot de `ooibossen', omdat ze van tijd tot tijd overstromen. Ooibossen staan nu juist volop in de belangstelling. Langs de grote rivieren worden tal van natuurontwikkelingsprojecten uitgevoerd, die moeten bijdragen aan de terugkeer van verdwenen rivierbewoners zoals bever en zwarte ooievaar.

Het boek Ooibossen is het tweede deel in de natuurwetenschappelijke KNNV-serie `Bosecosystemen in Nederland'. Het eerste deel, uit 1998, beschreef de broekbossen. Deel drie en vier zullen gewijd zijn aan de bossen op arme zandgronden en op voedselrijke gronden. Daarmee is dan het hele Nederlandse bos in beeld gebracht.

Het project is grondig aangepakt, met diepgaande aandacht voor zaken als geologie en geomorfologie, ontwikkeling van het landschap, bodem- en waterhuishouding en chemische verontreiniging van de uiterwaarden. Speciaal voor dit handboek is een nieuwe ooibostypologie gemaakt door onderzoekers van het Wageningse instituut Alterra. Zij onderscheiden negen verschillende groeiplaatsen, elk met hun eigen karakteristieke vegetatieontwikkeling. Achterin het boek zijn vegetatietabellen opgenomen waarin je kunt zien wat de karakteristieke `bedekkingsgraad' van uiteenlopende plantensoorten in een bepaald bostype is. De schrijvers gaan tamelijk serieus op de materie in, ingewikkelde vaktermen als `freafytenspectrumanalyse', `vervangingsgemeenschap' en `co-dominantie' worden niet geschuwd. Achterin het boek zit een uitgebreide verklarende woordenlijst. Er zijn veel praktische schema's en verhelderende figuren. Jammer is dat de meeste zwart-witfoto's nogal grauw ogen. Zo te zien waren het oorspronkelijk kleurenfoto's, maar in zwart-wit afgedrukt komen ze niet erg tot hun recht.

Overigens bestaat van het Nederlandse bos hooguit één procent uit ooibos, in totaal 2500 hectare (25 vierkante kilometer), waarvan driekwart in de Biesbosch. Langs de grote rivieren betreft het voornamelijk kleine, spontaan opgeslagen wilgenbosjes in oude tichelgaten en langs de rivieroevers. Het mooiste voorbeeld van een origineel hardhoutooibos, met `hardhoutsoorten' als eik, es en iep, groeit langs de IJssel bij Zalk, tussen Kampen en Zwolle. Hier zijn de uiterwaarden nooit voor de kleiwinning vergraven. Het zijn `kronkelwaarden', vol slingerende, evenwijdig lopende zandruggen. Doordat de rivier zich telkens in de richting van haar buitenbocht verplaatste, werd de buitenbocht uitgeschuurd, terwijl de binnenbocht juist aanzandde. Op deze hoge, zanderige richels groeit nu het 7 hectare grote Zalkerbos. Oorspronkelijk maakte het deel uit van een veel groter bosgebied dat vanaf de laatste Middeleeuwen toebehoorde aan het buiten van de Heeren van Buckhorst. Er groeien bijzondere planten, zoals schaafstro, slangelook, moeslook en vogelmelk. Al net zo zeldzaam als het hardhoutooibos zijn de ecosystemen van het zoetwatergetijdenmilieu. Door de afsluiting van het Haringvliet is het getijdenverschil, dat vroeger enkele meters bedroeg, sterk gedempt. Veel karakteristieke soorten planten en dieren zijn vrijwel verdwenen, brandnetels kregen de overhand. Als de Haringvlietsluizen weer een stukje open gaan, zullen deze algemene ruigtekruiden binnen een paar weken verdwijnen, zeggen de schrijvers, en dan keert het karakteristieke Veldkersooibos-met-waterweegbree terug. Een mooi vooruitzicht.