Vervreemding is de sleutel

In een serie recensies van romans die in het literaire hoogseizoen ten onrechte onopgemerkt bleven, deze week het debuut `Bevoorrecht bewustzijn' van Esther Gerritsen. (De Geus. 127 blz. ƒ29,90)

Over bijna niets gaan ze, de verhalen in Esther Gerritsens debuut Bevoorrecht bewustzijn. Iemand bezoekt een nieuwjaarsreceptie ten stadhuize of dwaalt door Hoog Catharijne en steelt terloops een trui bij C&A. We zijn getuige van een uit de hand lopend gesprekje aan de ontbijttafel over geroosterd brood. Weer een ander verhaal (`Voor je me gaat slaan') bestaat uit een korte monoloog, waarin een vrouw op een bizarre manier haar liefde verklaart.

Het meest spectaculair is nog het verhaal `Greenwich achttienvierennegentig' over de Franse anarchist Bourdin die een bomaanslag wil plegen op het observatorium van Greenwich, uit protest tegen de `dictatuur van de tijd'. Het berust op een historische voorval, dat Joseph Conrad de stof verschafte voor zijn roman The secret agent. Esther Gerritsen heeft genoeg aan drie en een halve bladzijde, en pas in de laatste regels wordt verteld dat de anarchist alleen zichzelf opblaast, omdat zijn bom voortijdig afgaat.

Het is geen psychologisch, laat staan een politiek portret van deze onfortuinlijke bommengooier. Gerritsen gaat het om iets anders, om wat zij noemt het `onvermogen om met de tijd om te gaan', dat haar personage parten speelt. De bomaanslag moet daarvoor een uitweg zijn, al zit de ironie van het verhaal hierin dat juist deze uitweg tot Bourdins gewelddadige dood zal leiden.

Het valt niet mee om aan je kwalen te ontsnappen, lijkt Gerritsen te willen zeggen. En het is nog maar de vraag of dat ook wenselijk zou zijn. Voor de betrokken personages misschien wèl, maar niet voor de schrijfster, die niet voor niets de nadruk legt op hun momenten van existentiële vervreemding.

Vervreemding is het onuitgesproken sleutelwoord van deze verhalen. Al haar personages hebben er op de een of andere manier last van. Geen van hen valt volledig samen met de wereld of met zichzelf. Telkens vindt er een hapering plaats, die de vanzelfsprekende voortgang der gebeurtenissen onderbreekt en soms duurzaam verstoort. Of de hapering positief of negatief uitpakt, ligt aan het bewustzijn. Is dat een `bevoorrecht bewustzijn' (zoals in het titelverhaal, waar de vertelster zichzelf vergelijkt met de middeleeuwse mystica Hidegard van Bingen), dan kan de vervreemding een glimp opleveren van de `waarheid'. Maar in het laatste verhaal van de bundel duikt ook een `benadeeld bewustzijn' op, en in dat geval kan iemand op grond van eenzelfde besef van vervreemding zijn eigen glazen ingooien.

Mystieke extases en dwangneuroses hebben kortom een identieke oorsprong. Langs fysiologische weg is een en ander wellicht te verklaren, zie Oliver Sacks die de extases van Hildegard van Bingen aan migraine toeschreef, maar dat gaat wel ten koste van de bijzonderheid van de ervaring. Die ervaring is er een van verbazing en verwondering, zoals bekend dé bron van alle kunst en literatuur. Wie alles vanzelfsprekend vindt, staat nergens bij stil en gaat overal aan voorbij. Zo niet Esther Gerritsen, die in haar verhalen de momenten van vervreemding en dus van verbazing en verwondering opzoekt teneinde er een vergrootglas boven te houden.

Het resultaat is een soort literaire minimal art, in de trant van de Franse schrijver Emmanuel Bove of – om in Nederland te blijven – Hedda Martens. Zelf noemt Gerritsen Samuel Beckett, aan wiens roman Molloy het motto bij de bundel is ontleend en wiens stijl zich inderdaad laat herkennen in de monologen (`Altijd al. Elke ochtend. Sinds ik klein was. Word ik wakker. Denk ik.' etc.) waaruit sommige verhalen bestaan. Ook valt één keer de naam van Borges, de schrijver die beter dan wie ook een hele wereld weet op te roepen in niet meer dan een paar bladzijden.

Dat laatste lukt Esther Gerritsen nauwelijks. Daarvoor ontbreekt het haar verhalen (die zelden meer dan vier of vijf bladzijden beslaan) nog te zeer aan narratieve substantie, of simpeler gezegd: daarvoor zijn deze verhalen te weinig verhaal en te veel stijloefening. Gerritsen blijft steeds dicht bij huis, enkele uitzonderingen daargelaten (het verhaal over de negentiende-eeuwse anarchist en een ander verhaal over een dement geworden schrijfster – Iris Murdoch? – en haar echtgenoot), en stelt zich tevreden met kleine verschuivingen in de perceptie, ook al hebben die soms grote gevolgen.

Intussen laat zij wél zien dat zij kan schrijven en waarnemen. Bovendien blijkt zij te beschikken over een subtiel gevoel voor humor. Zo lezen we in een verhaal over iemand die altijd bang is te laat te komen: `Zodra ik op mijn fiets zit, denk ik dat ik te laat ben. Geef mij een fiets en ik heb haast'. Met als vervolg dat dit haastige personage te vroeg op school komt en dan pas echt de kluts kwijtraakt.

Zoveel gevatte precisie op de vierkante millimeter wekt verwachtingen voor de toekomst, op voorwaarde dat de schrijfster haar fantasie de volgende keer wat meer armslag durft te geven. Verbazing en verwondering hoeven zich tenslotte niet te beperken tot louter banale, alledaagse voorvallen, ze kunnen ook – en misschien zelfs beter – tot hun recht komen in een verhaal of roman met uitgewerkte karakters en een betekenisvolle intrige.