Verleid door vadermoord

Sinds `Seattle' beleeft het Westen een heropleving van sociaal en politiek activisme tegen de hegemonie van de markt. Dat is eerder geprobeerd. Hoe kunnen de oude fouten, zoals de verleiding van geweld, worden voorkomen? Een levensechte terugblik op het `rode decennium' in Duitsland biedt aanknopingspunten voor kritiek en advies.

Het bejaardenhuis danst. Voor het eerst sinds decennia bruist het intellectuele klimaat er als vanouds. Ook de (klein)kinderen komen weer uit zichzelf langs. Ze willen weten hoe het vroeger in de jaren zestig en zeventig was en wat grootvader daarvan heeft geleerd. Ze willen in hun eigen strijd tegen de mondiale macht van Mammon namelijk niet in dezelfde valkuil lopen als de ouden van dagen indertijd.

Bijna twintig jaar werden denkende dinosaurussen als Karl Marx of Antonio Negri over het hoofd gezien. Ze waren hopeloos uit de tijd of gevaarlijk belachelijk. Nu figureren ze weer op de bestseller-lijsten. Op de tweede positie van de non-fictie top-25 van internetboekhandel Amazon.com staat Empire (besproken in Boeken, 3 augustus) van de filosoof Antonio Negri in Rome, daar gedetineerd als inspirator van de Rode Brigade, en van co-auteur Michael Hardt uit North-Carolina (VS). Bij het Duitse filiaal is Das Kapital van Karl Marx vanuit het niets op 19 binnengekomen.

En daar blijft het niet bij. Marx en Negri worden geflankeerd door boeken van hun intussen schrijvende neven en nichten. In de VS houden anti-studies over de Amerikaanse economische cultuur — zoals Fast Food Nation (Boeken, 20 april) van Eric Schlosser of Nickel and Dimed van Barbara Ehrenreich — nog altijd stand tegen het onlangs begonnen bombardement van boeken over het `gestolen' presidentschap van George W. Bush. In Duitsland en Frankrijk staat Naomi Klein met No Logo (Boeken, 16 februari) aan de top. En in Engeland hebben de anti's vooral concurrentie van The silent takeover van Noreena Hertz. Zelfs Noam Chomsky, wiens Propaganda and the public mind niet over aandacht had te klagen, rammelt weer aan de poort.

Sluit de cirkel zich? Tijdens de conferentie van de Wereldhandelsorganisatie eind 1999 in Seattle waren de onlusten een donderslag bij heldere hemel. In amper twee jaar is het klimaat veranderd. Er is een nieuwe beweging op til, stelde de Canadese geheime dienst een jaar geleden vast in het rapport Anti-globalization, a spreading phenomenon. Zij verenigt zich volgens de dienst op een ongekend breed front in haar verzet tegen de `macht van het kapitaal', de dictatuur van merken, de uitbuiting van milieu en arbeider of aanpalende thema's als dierenbevrijding of veganisme. Haar werkwijze is even diffuus, aldus de dienst. Geen ouderwetse bijeenkomsten of keurig aangemelde betogingen op een vaste plek, maar: `herovering van de straat', `directe actie' tegen deze of gene misstand en verwarring zaaien bij de machtsorganen van de overheid. Dankzij internet heeft de beweging daarbij geen bevelsstructuur meer nodig. Microsoft biedt simpelere communicatiemiddelen voor de onderlinge coördinatie, concludeert Anti-globalization. Niet alleen organisatorisch, ook inhoudelijk wordt de kennis zo opgekrikt. Het is een `lichaam dat zonder hoofd overleeft en zelfs floreert'.

Aan de vooravond van de G8-top in Genua vorige maand had iedereen zich aldus op het scherpst van de snede voorbereid. De afloop is bekend. Op de eerste dag al schoot een politieman in het nauw de activist Carlo Giuliani dood. Heeft de keten actie-reactie een nieuwe wending genomen? Wordt Giuliani een icoon? Kortom, is hij de Benno Ohnesorg van de nieuwe generatie?

Ohnesorg was de onbekende infanterist in de Duitse studentenbeweging, die op 2 juni 1967 tijdens een gewelddadige betoging in West-Berlijn tegen het bezoek van de sjah van Perzië werd doodgeschoten. De burgemeester trad af, de politieman werd vrijgesproken. Tien maanden later — vier weken nadat Le Monde had geklaagd over de slaapverwekkende rust in Frankrijk — werd dé cultfiguur uit die dagen in dezelfde stad neergeschoten: Rudi Dutschke. Hij overleefde de aanslag. `Ik heb een fout gemaakt. Ik ben eenvoudigweg nog te jong om politicus te worden. Ik moet me nog eenmaal terugtrekken en aan mezelf werken', zei Dutschke toen hij bijkwam. De beer was los. Duitsland begon aan Das rote Jahrzehnt, zoals historicus Gerd Koenen Unsere kleine deutsche Kulturrevolution noemt in zijn recentste boek.

Dit rode decennium begint in 1967 met de dood van Benno Ohnesorg en eindigt met de dood van Ulrike Meinhof van de Rote Armee Fraktion (mei 1976), procureur-generaal Siegfried Buback (april 1977), directeur Jürgen Ponto van de Dresdner Bank (juli), de RAF-gedetineerden Andreas Baader, Gudrun Ensslin en Jan Carl Rapse, alsmede die van werkgeversvoorzitter Hanns Martin Schleyer (oktober).

In Das rote Jahrzehnt analyseert Gerd Koenen deze escalatie waarin hijzelf ook als deelnemer zat opgesloten. Koenen (1944) bracht de jaren zeventig door in de Kommunistischer Bund Westdeutschlands. De KBW is een van de `K-gruppen' die ageren tegen alles, iedereen en elkaar (van Nixon tot Brezjnev) behalve tegen Mao, Enver Hoxha en Pol Pot. De dogmatiek wordt tot drie decimalen achter de komma doorgerekend. Soms is dat lachwekkend, bijvoorbeeld als een maoïstische concurrent van Koenens KBW campagne gaat voeren vóór de CSU'er Franz-Josef Strauss die in 1980 de sociaal-democratische kanselier Helmut Schmidt wil verslaan. Vaker is het verbijsterend.

Alleen al daarom is Das rote Jahrzehnt geen eenvoudig boek. Zelfs kennis van afkortingen is geboden. Wie bang is voor lettercombinaties als AO, ML, RK, KSK, WG of ZK (Aufbauorganisation, Marxistisch-Leninisten, Revolutionärer Kampf, Kritik/Selbstkritik, Wohngemeinschaft en Zentralkomitee) verdwaalt. Bovendien is Koenen in een soort monoloog met zichzelf en de oude kameraden, zij het op serieus intellectueel peil. Weliswaar heeft hij zijn oogkleppen aan weerszijde 45 graden naar buitengeklapt, op het bredere panorama van de Duitse horizon heeft hij nog steeds maar beperkt zicht. Zo erkent hij `ironisch' dat zijn eigen KBW op talloze momenten van lotje getikt was, maar de anderen waren natuurlijk pas echt door de ratten besnuffeld. De omgeving blijft daarom vreemd terrein. De SPD van Willy Brandt (na 1966 voor het eerst sinds 1929 in de regering) is een partij waar `stamokappers' (staatsmonopoliekapitalisme) de macht willen grijpen. Om maar te zwijgen van de CDU, tot 1969 dominant aanwezig met de kanseliers Adenauer, Erhard en Kiesinger.

Maar wie zich een weg baant door dit politieke potjeslatijn waant zich thuis in een wereld die sinds Genua weer relevant lijkt. Koenen schetst het proces van een rijk geschakeerde beweging die om zowel externe redenen (de reacties van de Duitse rechtsstaat) als interne (de existentialistische ambitie van de `68ers) ontspoort in schriftgeleerdheid over het `structurele geweld' van de staat, en in geweld tegen diens dienaren. Goddank schuwt hij de anecdote niet. Zoals over Andreas Baader, voorman van de `leren-jackfractie', die uit de `politieke kas' van een woongroep 22.000 mark jat, een witte Mercedes koopt en daarin, al dan niet gedrogeerd, met zijn vriendinnen rondtoert.

Baader heeft dan net een gevangenisstraf achter de rug. De Rubicon is hij namelijk al eerder overgestoken. In mei 1967 is in Brussel een warenhuis in brand gevlogen. Ongeveer driehonderd mensen zijn daarbij omgekomen. Politieke brandstichting als protest tegen de oorlog in Vietnam? Het is niet bekend. Maar in navolging van de pyromane Weathermen in de VS vervaardigt Kommune 1 in Berlijn meteen Vlugschrift Nr.8. Daarin staat: `Brussel heeft ons het enige juiste antwoord getoond op het bombarderen van Hanoi: burn ware-house burn'. De geweldsvraag doet zijn intrede. Seks is nu niet meer het cruciale gespreksthema in de beweging, maar hooguit nog pasmunt voor stoere jongens, kop van jut voor de ontluikende tweede feministische golf of trucje om de kleinburgerij over de hekel te halen.

Pamflet 8 is niet aan dovemansoren gericht. Een week voor de aanslag op Dutschke wordt brand gesticht in een warenhuis in Frankfurt. Baader en zijn vriendin Ensslin worden opgepakt en veroordeeld. Zij verschaft hem tijdens het proces het alibi dat de voormalige gauwdief Baader nodig heeft. `We hebben geleerd dat praten zonder handelen onrecht is', aldus Ensslin. Haar vader, een dominee die niét met de nazi's heeft meegedaan, is trots: met haar pleidooi heeft ze `bijna de de toestand van een euforische ontplooiing beleefd, een heilige zelfsverwezenlijking'. Baader zit nog geen twee jaar vast. In mei 1970 wordt hij bevrijd door de wat oudere Ulrike Meinhof, die na haar scheiding van de hoofdredacteur van Konkret (door de DDR gesubsidieerd) al lovend het `progressieve moment' van de brand in Frankfurt had becommentarieerd.

Meinhof en de anderen worden een voor een gearresteerd. De RAF krijgt nu vorm. Terwijl de organisatie naar buiten toe ronkende teksten afscheidt over de noodzaak om de guerrilla in de `perifere' Derde Wereld naar de `metropolen' van de `burgerlijke terreur' te importeren — en de daad ook bij het woord voegt — schrijft Meinhof in de `bajes' een politiek testament. Geparafraseerd komt haar redenering hierop neer. De mens is in zijn dagelijks leven totaal vervreemd. Alle betrekkingen in het `imperialisme' zijn doordesemd met de markt én het `repressieve en ideologische staatsapparaat'. Daarom `is er plaats noch tijd', aldus Meinhof.

Wie dit jargon vervangt door inmiddels ingeburgerde postmoderne begrippen, die toen overigens al in zwang raakten, komt dicht in de buurt van Empire. Daarin betogen Negri en Hardt ook dat het nieuwe rijk der globalisering geen centrum en geen grenzen heeft, dat wil zeggen een `non-plaats' is. En als Negri en Hardt concluderen dat geen `macht' opgewassen zal zijn tegen het `militante verzet' van onderop omdat `biomacht en communisme, samenwerking en revolutie' zich aaneensluiten `in liefde, eenvoud en onschuld', dan rijst de vraag hoever deze auteurs nog verwijderd zijn van het Socialistische Patiëntencollectief in Heidelberg, dat met de leus `uit ziekte een wapen maken' de tweede RAF-generatie baart, of van Baaders eigen geliefde lijfspreuk `neuken en schieten zijn één ding'?

Oude koek? Ten dele. Negri is, net als Meinhof, inderdaad een ideoloog van de jaren zestig/zeventig en te ijdel om zichzelf de maat te nemen. Zijn nieuwe lezers hebben bovendien een andere achtergrond. Ze ervaren `kleinburgerlijk' niet meer als een politiek verwijt. En, het belangrijkste, Negri plaatste zich een kwart eeuw geleden buiten de maatschappij onder het anti-psychiatrische motto dat `in uit is' en `uit' logischerwijs `in'. Er is dus verschil. Nu wil men juist van binnenuit strijden. Dat laat zich raden. De sociaal-culturele omstandigheden zijn immers anders.

In de jaren zestig gaat het in de Bondsrepubliek om collectieve `vadermoord' van een generatie. `Wat heb jij sinds 1933 gedaan, pa, of nagelaten?', is de vraag die de naoorlogse studenten na het Wirtschaftswunder beantwoord willen zien. Omdat reactie uitblijft, geven ze het antwoord maar zelf. Bernward Vesper — zoon van een nazidichter en vader van Ensslins kind — zet zich eind jaren zestig al aan een boek. Het moet Haat of TRIP gaan heten. Zes jaar na zijn zelfmoord in 1971 duikt het manuscript op. Vesper blijkt verslag te hebben gedaan van zijn adagium dat `revolutionairen eerst zichzelf moeten revolutioneren'. Hij is niet de zoon van zijn ouders maar `het produkt van een klasse' én `personen' die op hun beurt alleen hebben bestaan bij de gratie van `boegbeeld Hitler'.

Vesper is niet de enige die zichzelf kastijdt. Een halve generatie wil zich zuiveren van de `banaliteit van het kwaad', zoals Hannah Ahrendt het heeft genoemd. In 1964 stelt Hans-Magnus Enzensberger over de atoombom: `Dit gereedschap is het heden en de toekomst van Auschwitz'. Begin 1965 schrijft Martin Walser het essay Ons Auschwitz. Rond 1970 bivakkeert hij een blauwe maandag in een der `K-groepen'. Ahrendt zelf betrekt snel stelling tegen dit zwelgende en bezitterige `felix culpa'. Het baat niet. In de woorden van de Franse filosoof Pascal Bruckner anno 1984: `Wij zijn de slechtsten, fluistert een ziek narcisme ons toe'. `In dit opzicht konden wij onze Franse leeftijdgenoten wel overbieden', voegt Koenen trefzeker toe.

Natuurlijk, niet iedereen verleent onbeperkte diensten aan de RAF. Joshka Fischer, indertijd eufemistisch getooid als `Verteidigungsminister' van `spontaan' links in Frankfurt (de Sponti's), waarschuwt in 1976 voor de eindfase die zich aandient. Maar wel dubbelzinnig. `Hoe geïsoleerder wij politiek raken, des te militairder wordt ons verzet en des te makkelijker wordt het voor de smeris ons van politieke rockers tot terroristen te bestempelen'. Maar in dit klimaat kan een academicus uit Göttingen in 1977 de handen op elkaar krijgen – tot blinde woede van zijn tegenstanders – als hij anoniem zijn `heimelijke vreugde' etaleert over de moord op Buback.

Dat kan nu niet meer. De vaders van de logo-generatie zijn stuk voor stuk te laat of in het verkeerde land geboren om deelgenoot te kunnen zijn geweest van het nationaal-socialisme. Er zijn hoe dan ook minder vaders die thuis de baas zijn. In het ongunstigste geval is het verwijt dat ze `links lullen, rechts zakken vullen', dat ze mooi praten over vroeger maar niets doen tegen onrecht nu. Bovendien laten ze hun printers geen theoretische traktaken uitbraken maar lijstjes met wie wat waar op de agenda heeft gezet.

De beweging is qua pluimage desondanks niet compleet anders dan die van `68. Schuldgevoel jegens de verdrukten blijft een rode draad. Waarlijke vrijheid, ten opzichte van manipulerende machten, die nu geen `imperialisten' maar `corporations' heten, is nog steeds een doel. En opnieuw mengen doortastende activisten van het Zwart Blok zich in het straatgewoel. De geweldlozen doen soms naarstige pogingen deze bivakmutsen op andere gedachten te brengen. Maar naarmate de beweging zich fixeert op `hit and run' lopen ze met die goede bedoelingen vaker achter de feiten aan, is in Genua gebleken.

Voor de goede orde. Niet elke onrechtmatige daad is een ernstig misdrijf. Knokken met de politie is zo oud als de weg naar Rome. Een bezetting van een consulaat is al helemaal geen nachtmerrie, ook als de motieven niet worden gedeeld. Het gaat erom dat in de marge van de Genua-beweging een `geweldsdiscussie' de kop opsteekt die bekend voorkomt. `We gaan steeds meer denken dat we zelf deels verantwoordelijk zijn voor het politiegeweld. Het is die discussie die al vele bewegingen kapot heeft gemaakt', schrijft Ed Hollants in het Amsterdamse actieblad R@vage.

Tot nu toe zijn het vooral de veteranen van 1968 die zich daartegen weren. Zoals Michael Albert (1947) van Z-magazine (www.zmag.org). Drie decennia geleden was hij gecharmeerd van de Weathermen en de slogan `country sucks'.. Nu schrijft hij: `Dat was geen intellectuele maaltijd voor het hele leven'. Dat het land `een revolutie nodig heeft' en dat de tegenbeweging moet streven naar `onverwijlde hervormingen', dat vindt hij nog steeds. Ook George Lakey, een bijna bejaarde Quaker, doet in het artikel Nonviolent action as `the sword that heals' een poging om de lokroep van het geweld te weerstaan. `Waarover zijn John Wayne, George W. Bush, voorzitter Mao en de gemiddelde mannelijke CEO het eens? Dat politieke macht uit de loop van een geweer komt', aldus Lakey. `De bulk van studenten en arbeiders stonden [in 1968, hs] aan de ene kant van de scheidslijn, de rijken aan de andere. Het vraagteken was de middenklasse. Het enige dat de middenklasse kon, was angstig op de bank naar de vlammen op de tv kijken'.

De spijker op zijn kop. Wie de middenklasse heeft, heeft het Westen. Maar het is ook niet meer dan een begin. Want de anti's die Lakey voor herhaling van zetten wil behoeden, komen voor het leeuwendeel zelf voort uit de middenklasse. Ze voelen zich ongemakkelijk over de materiële tevredenheid en zoeken steun bij groepen die pas halverwege hun verheffing zijn. Net als in Das rote Jahrzehnt, toen het bejubelde proletariaat op het voorhoofd tikte wanneer de studenten langsmarcheerden. `De situatie is paradoxaal', schrijft de Canadese geheime dienst gewichtig. Kortom, die weet het ook niet.

Maar dankzij Koenen mag toch één waterscheiding alvast bekend zijn. Als de enige manier om individueel schuldgevoel af te lossen de collectieve daad is, dan gaan er remmen los.

Gerd Koenen: Das rote Jahrzehnt. Unsere kleine deutsche Kulturrevolution, 1967-1977. Kieperheuer & Witsch, 554 blz. ƒ65,60

Canadian Security Intelligence Service: Anti-globalization.

A spreading phenomenon. (Report # 2000/08, www.csis-scrs.gc.ca)