Onzeker lichaam

Mode en kunst kruipen steeds dichter tegen elkaar aan. Tentoonstellingen in Antwerpen en Keulen tonen de opmars van het kostuum als sculptuur.

Hoe lang is het geleden dat Rudi Fuchs op tv walgend tegen Sonja Barend zei dat hij `geen onderbroeken-tentoonstellingen' in het Stedelijk wenste? Zeven, acht jaar misschien? In ieder geval is zijn standpunt dat mode niet in het museum hoort nu totaal achterhaald. Als we zijn jongere collega Chris Dercon, directeur van Museum Boijmans Van Beuningen, tenminste mogen geloven.

Dercon, die de afgelopen paar jaar al tentoonstellingen wijdde aan de Belgische kledingontwerpers Martin Margiela en Walter Van Beirendonck, heeft enkele maanden terug tijdens een openingstoespraak voor het mode-evenement Mode 2001 Landed-Geland in Antwerpen opzienbarende uitspraken over mode gedaan. ,,Mode'', zei hij, ,,is de uitdrukking van nieuwe, tot nog toe ongekende uitdrukkingsvormen van individualisering en in sommige gevallen zelfs van een heuse politisering van de levenskunst van het individu.'' De mode, citeerde hij ook nog de hoofdredacteur van het hippe kunstblad Purple Prose, zal de cinema als de belangrijkste kunstvorm van de 20ste eeuw verdringen. Dankzij de mode zal de nieuwe eeuw in het teken staan van `een permanente revolutie'.

Nu doet Dercon wel vaker radicale uitspraken, maar het is een feit dat er tegenwoordig in kringen die er voorheen hun neus voor ophaalden opvallend veel aandacht is voor mode. In de kunstwereld begint mode zelfs een heus discussie-onderwerp te worden, getuige alleen al het recente, met modefoto's en essays over mode opgefleurde jaarverslag van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst. Ook tref je in de kunstbladen steeds vaker stukken aan over kunstenaars die met mode werken of modefotograaf zijn, met Vanessa Beecroft en Inez van Lamsweerde als koplopers.

Momenteel zijn er zelfs twee musea die tegelijk een tentoonstelling over mode brengen: het Museum für Angewandte Kunst in Keulen met Untragbar. Mode als Skulptur en het MUHKA ofwel het Museum voor Hedendaagse Kunst in Antwerpen, met Mutilate? Vermink? De laatste tentoonstelling hoort bij de manifestatie Mode2001 Landed-Geland die uit verschillende evenementen en exposities bestaat en die, volgens organisator Walter Van Beirendonck, Antwerpen definitief tot mode-stad maakt.

k ben mijn bezoek begonnen in Antwerpen, vanwege Van Beirendonck en het interview met hem dat in mei in deze krant stond. Daarin liet de zwaar op zijn woeste imago leunende mode-ontwerper zich opvallend kritisch uit over de mode-wereld en de op hypes gerichte marketingstrategieën erachter. Hij hekelde deze als `een systeem van aandacht' waarmee hij bedoelde dat een mode-ontwerper concessies moet doen en zich in het juiste netwerk moet zien te manoeuvreren. Dit leidde, zei hij, tot een `permanente prostitutie'. Hoe past dit, vroeg ik mij af, bij Dercons `permanente revolutie'?

De tentoonstelling geeft geen antwoord, net zo min als de andere evenementen die in Antwerpen rondom mode zijn georganiseerd. Daar horen een tentoonstelling over Rei Kawakubo (van het merk Comme des Garçons) en Coco Chanel bij, een video-installatie waarbij honderden autoriteiten uit de kunst-, mode- en designwereld over hun mode-ervaring praten, en een installatie aan de Schelde-oever met `gevisualiseerde mode-statements' op metershoge panelen.

Er is dus aardig wat te zien, maar nergens een spoor van welke opstandige houding dan ook. Klaarblijkelijk heeft Van Beirendonck niemand voor het hoofd willen stoten. De tentoonstelling in het MUHKA is zelfs uitgesproken educatief. Netjes ingedeeld in categorieën als Confrontaties, Transformaties, Constructies, Avatars, vertelt hij dat de manier waarop mensen zich kleden en opmaken te maken heeft met hun cultuur, tradities en levensbeschouwing. En ja, dat wisten we eigenlijk al.

De zaal van Confrontaties is bovendien een multicultureel cliché. Je zigzagt in diepe duisternis langs een twintigtal oplichtende reuzenprojecties van foto's en videobeelden die als uitgeknipte plaatjes op enorme schotten door elkaar heen staan. Ziehier een metershoge, vuurrode pump met naaldhak. Schuin daarachter het beeld van een Chinese vrouw met ingebonden voeten. Draaien we een slag dan staren we in de holle ogen van het eerste anorexia-achtige fotomodel Twiggy en vervolgens walsen we langs het getatoeëerde gelaat van een Maori-man naar een punk met felgekleurd haar en piercings. Video's en voorwerpen aan de achterkant van de schotten zorgen voor een historisch en antropologisch kader.

Keurig politiek correct allemaal, en toch stinkt er iets. Wat wij in het Westen mode noemen staat niet op één lijn met wat in andere culturen een diep religieuze of culturele betekenis heeft. Er is nu eenmaal een verschil tussen een hang naar veranderlijkheid en snelheid en een streven naar duurzaamheid en traditie. Bij deze opstelling wordt dit verschil uitgewist. Alles is uiteindelijk in dat ene, voor de westerse cultuur zo typerende licht gezet, het flitslicht van de sensatie.

Deze bijna koloniale inlijving is typerend voor de ontwikkeling van de mode sinds de jaren zeventig. Tegelijk met alles wat als autoritair overkwam werden ook de dwingende voorschriften van grote couturiers als Dior en Chanel omgespit en dat leidde uiteindelijk tot een jungle van stijlen. Voortaan kwam de inspiratie overal vandaan, van India tot Mongolië. Maar jungle of niet, één ding bleef hetzelfde: de behoefte aan voortdurende vernieuwing en ononderbroken actualiteit. In die zin zou je mode eeuwigdurend kunnen noemen: ze symboliseert dat er geen eind is aan ons verlangen om steeds weer nieuw, anders en vooral `bij de tijd' te zijn.

Waarom hebben wij dat verlangen? Ik denk, zonder de complexiteit van de vraag te willen onderschatten, dat het veel met onbehagen te maken heeft. Een onbehagen dat nauw samenhangt met de wijze waarop wij in de westerse cultuur ons Ik en ons lichaam ervaren. De Duitse neuroloog Detlef Linke heeft het ooit treffend in een artikel verwoord. `Met Copernicus', schreef hij, `verloor de mens zijn plek in het midden van de kosmos. Met de nieuwe technologische ontwikkelingen ervaart het subject dat hij niet eens een `eigen' lichaam heeft.'

Ons lichaam is niet `van ons'. Het heeft zijn eigen wetten die zich aan onze persoonlijke wil onttrekken en dit machteloze gevoel is nog duizend maal versterkt door nieuwe technologische uitvindingen als cyberspace, genetische manipulatie en nanotechnologie. Deze hebben ons ook nog eens beroofd van het idee waar we lang nog een heel klein beetje houvast aan hadden, het idee dat onze `natuurlijkheid' in de kern onaantastbaar was.

Het typeert de mode dat ze al die onzekerheid rondom het lichaam niet dramatisch opvat, maar deze juist speels omzet in nieuwe ideeën van schoonheid. Net zoals Madame de Pompadour van een puist een tache de beauté wist te maken door er accent op te leggen, zo celebreert de jongste generatie modemakers de ontluistering van het lichaam als pure natuur met anti-natuurlijke ontwerpen. Voor hen zijn wij al mutanten, zo begrijp ik in ieder geval de jurken bultig als knotwilgen, de colberts met vier mouwen en de met stokken doorboorde `chaos-rokken'. Van Beirendonck laat er in een aparte zaal een beschaafde selectie van zien.

De kunst reageert totaal anders, met name die kunst die als body art bekend staat. Voor body-kunstenaars is het lichaam geen speelplaats, maar een slagveld. In Antwerpen zie je dat in een zaal vol kleine video-projecties van veertien kunstenaars, variërend van Yves Klein en Arnulf Rainer in de jaren zestig tot Ron Athey en Sonja Wyss nu. Ieder heeft op zijn manier een rekening met het lichaam te vereffenen: over de begrensdheid ervan, zijn kwetsbaarheid, onvolmaaktheid en sterfelijkheid. Vito Acconci doet dat door zijn borsthaar met een kaarsvlam af te branden, Chris Burden door een kogel in zijn arm te laten schieten en Orlan door haar gezicht plastisch chirurgisch te laten hermodelleren tot dat van een alien.

In Keulen is voor een rustiger vorm van kunst gekozen. Je kunt zelfs zeggen dat het lichaam er bij Untragbar nog amper toe doet. Het is voor het merendeel van de zeventien veelal jonge exposanten een abstractie waar je ideeën over materiaal, vorm en kleur op los kunt laten. In de meeste gevallen leidt dat tot aan jurken en jassen herinnerende sculpturen. Ze hangen vrij in de ruimte, zoals een monsterlijk grote, geel rubberen jurk met spenen van Louise Bourgeois (die overigens met haar 89 jaar helemaal niet uit de toon valt) en korte, met parelschilfers bestikte, wit gazen `lijfjes' van Birgit Jung-Schmitt.

De ingelijste, gebreide trui met twee halsopeningen van Rosemarie Trockel hangt aan de muur. Zou dit laatste werk eigenlijk niet bij de `mutanten-mode' passen? Die wordt weliswaar niet ingelijst, maar is verder even anti-functioneel en op vorm en materiaal gericht als Trockels kunst. Waarom worden de twee domeinen eigenlijk nog gescheiden? Waarschijnlijk omdat kunst nog steeds met een andere mentaliteit wordt gemaakt. Ik noemde al `het dramatische levensgevoel', dat zich vaak in een kritische houding vertaalt. Maar even belangrijk zijn een persoonlijk vocabulair en een conceptuele manier van denken. Trockels trui is geen trui, maar een onderdeel van een samenhangend, persoonlijk oeuvre. Daarin heeft het een betekenis die weinig of niets met mode te maken heeft.

Toch valt niet te ontkennen dat het steeds moeilijker wordt om de scheidslijn te trekken. Niet alleen kijken jonge kunstenaars en modeontwerpers naar elkaar, de fotografie slaat ook een brug tussen hen. De foto's bijvoorbeeld van kunstenaars Gerald van der Kaap en Erwin Olaf staan niet vreemd in modebladen, terwijl die van modefotografen Cornelie Tollens en Anuschka Blommers probleemloos in de kunstgaleries zijn opgenomen. Wat beide partijen met elkaar verbindt is een scherp oog voor pose, stijl en vooral detail.

De fotografie heeft de wereld in details opgedeeld: de rimpeling van een jurk, de bolling van een lip, de lijn van een koplamp. De mode is, in samenwerking met de fotografie, nog een stap verder gegaan. Zij heeft het detail tot het geheel verheven. Wie een t-shirt koopt van Calvin Klein of een tasje van Gucci, koopt een detail dat het hele t-shirt of tasje bepaalt en onderscheidt. Het symbool van deze verheven staat van het detail is het logo, het naamplaatje van de brand.

Over de macht en kracht van logo's en merknamen hoef ik niemand iets te vertellen. Zelfs kleine kinderen zijn op merknamen gespitst. In de kunst is er in de hyperconsumptieve Reagan-tijd vaak de spot mee gedreven, maar kunstenaars als Andy Warhol en Jeff Koons maakten in de jaren zeventig en tachtig al een brand van zichzelf.

p de tentoonstelling in Keulen zag ik een nieuwe variant: een houten paviljoen als modewinkel, ingericht en gebrand door de Duitse kunstenaar Tobias Rehberger. Alle toonaangevende modemerken zijn voorradig: schoenen van Prada, kostuums van Dries Van Noten, t-shirts van Gaultier, overhemden van Margiela, maar alleen voor heren en in een bepaalde maat: die van Tobias Rehberger. De kunstenaar biedt ze hier tegen de normale verkoopsprijs te koop aan, als een soort zelfportret van verlangen: dit is zijn smaak, zo zou hij eruit willen zien als hij het kon betalen. Hoezeer hij zijn zelfbeeld verbindt aan deze designerskleren, blijkt als je de labels bekijkt. Daar is consequent nog een ander label aan vastgenaaid, getekend: Tobias Rehberger.

Ik heb een blik mogen werpen op de verkooplijst. Het publiek heeft voornamelijk sokken en t-shirts gekocht. Wat moet je ook doen met een kostbaar kostuum/kunstwerk van Van Noten/Rehberger? Dragen, of als kunst aan de muur hangen?

Mode, zou je hieruit kunnen concluderen, is nu de kunst binnengedrongen als dat wat het werkelijk is: een economisch `systeem van de aandacht', om met Van Beirendonck te spreken. Van Beirendonck heeft die uitdrukking niet zelf bedacht, maar aan een nieuw begrip in de economie ontleend: Attention Economy. Volgens deze opvatting van economie moet alles rondom een product aandacht en zorgvuldigheid uitstralen, of het nu gaat om de manier waarop schoenen in de doos zijn verpakt, of om de wijze waarop de consument in de winkel wordt onthaald.

Aandacht genereren is binnen dit systeem van het grootste belang. Aandacht is nodig om details te kunnen zien, te appreciëren en de bereidheid te voelen er geld voor uit te geven. Veel geld, want het detail is duur.

Om ons zo ver te krijgen, worden geraffineerde presentatiestrategieën uitgedacht en steeds vaker worden daar mensen uit het kunstcircuit voor aangetrokken. Die presenteren immers hun werk vaak op een originele manier. De opvallendste verbintenis van de laatste tijd is het toonaangevende en peperdure modemerk Prada met Rem Koolhaas. De architect ontwerpt voor Prada niet alleen winkels, maar is ook nauw betrokken bij de nieuwe communicatie- en markstrategie van het miljardenbedrijf. De slogan die hij heeft bedacht, is opmerkelijk: `Luxury is attention'. Zijn toelichting: ,,Het is onze ambitie om de aandacht vast te houden.''

Aandacht als het meest kostbare: iedere kunstenaar voor en na hem zal het beamen. Blijft één cruciale vraag over die zelfs met de geraffineerdste presentatie niet valt te omzeilen: wat is echt de moeite van onze aandacht waard?

`Mutilate? Vermink?', t/m 7/10 in Museum voor Hedendaagse Kunst (MUHKA), Leuvenstraat 32, Antwerpen. Inl. www.mode2001.be

`Untragbar. Mode als Skulptur', t/m 6/9 in Museum für Angewandte Kunst, An der Rechtschule, Keulen.

Inl. www.museenkoeln.de/mak/

Wij zijn mutanten, zo begrijp ik de jurken als knotwilgen

Mode symboliseert ons oneindige verlangen om steeds weer nieuw te zijn