Niet achterlijk en ook niet anders

De veelgeprezen historicus Mark Mazower schreef een boek over de Balkan, om alle vooroordelen over Europa's roerigste schiereiland te ontkrachten. Nationalisme en etnisch geweld zijn niet typisch voor de geschiedenis van de Balkan, maar voor die van heel Europa.

De Balkan is de afgelopen tien jaar voor menigeen nog onbegrijpelijker geworden dan de regio voor die tijd al was. Alle staten op de Balkan roepen om het hardst dat ze `naar Europa' willen. Tegelijkertijd woedt de ene oorlog na de andere. Geweld en etnische en religieuze haat bepalen zowel naar toon als naar inhoud het nieuws dat de West-Europese krantenlezer en journaalkijker al tien jaar wordt voorgeschoteld. Eeuwenoude mythen blijken nog volop te leven, eeuwenoude Leitmotive zijn nog volop van kracht. Volkeren ruziën over onrecht dat hun honderden jaren geleden is aangedaan en over wie zich waar anno zus of zo véél eerder vestigde dan het buurvolk. Van Transsylvanië tot Macedonië slaat men elkaar de hersens in en namen als Srebrenica en Vukovar, Dubrovnik, Racak en Sarajevo staan voor bloedbaden van een soort dat — dachten we — sinds 1945 in Europa niet meer denkbaar was.

De Balkan, en Balkanisering, staan al heel lang voor achterlijkheid, primitiviteit, bloeddorstigheid, etnische haat en passie, banditisme, versplintering, wreedheid, primitivisme, bijgeloof, clanvorming en het teruggrijpen op mythes. Het geweld heet er irrationeel, archaïsch, tribaal te zijn, het heet te zijn ingebakken in de cultuur en de psyche van de Balkanbewoners. `In het Westen', schreef de Kroatische schrijver Miroslav Krleza (lang vóór de oorlogen van de afgelopen tien jaar), `bestaat over ons land het pittoreske, toeristisch verkoopbare beeld van een volk van sluiers, Turkse trommels, tulbanden, volksinstrumenten en bloedwraak, de legende van een archaïsch achtergebleven Balkanvolk van blinde guslespelers, haidukken en vampiers, een soort van melasse van Oriëntaalse mystiek en melancholische passiviteit enerzijds, en wrede vendetta's anderzijds.'

Inmiddels heeft zich sinds het midden van de jaren negentig een keur aan schrijvers gemeld die die stereotypen eens op een rijtje hebben gezet en tegen het licht hebben gehouden. Hun onontkoombare conclusie: die stereotypen zijn in hoge mate vooroordelen - een wat Krleza noemde `decoratieve, optische truc die in niets met de waarheid overeenstemt'.

Mark Mazower, wiens boek over Europa Dark continent (in Nederland verschenen onder de titel Duister Continent. Europa in de Twintigste Eeuw) internationaal een golf van lof losmaakte, heeft zich met zijn nieuwe boek The Balkans in die rij van auteurs geschaard. Het boek is als betrekkelijk conventioneel opgeschreven geschiedenisboek één lange afrekening met de diep ingesleten vooroordelen die het West-Europese perspectief van de Balkan hebben gevormd en misvormd.

Turks juk

Voor een belangrijk deel is dat te wijten aan de Balkanbewoners zelf. In landen als Servië, Bulgarije en Roemenië roept men graag en vaak dat de eeuwenlange Turkse bezetting een juk was dat de Balkan-volkeren verstikte, hun cultuur verdrong, hun religie ondergronds dreef. De Turken kwamen en de duisternis trad in. Licht werd het pas weer, zo heet het, toen die volkeren in de 19de en begin 20ste eeuw dat juk afschudden.

Het is een argument dat de Balkanleiders een verklaring verschaft voor allerlei achterstanden en tekortkomingen in hun samenleving. Het is bovendien een argument dat hen in staat stelt terug te grijpen op een glorieus verleden vóór de Turkse tijd. Dat geeft legitimatie op Europees niveau: het herstellen van een respectabel verleden van (nationalistisch) verzet tegen de wrede Ottomaanse onderdrukking, schrijft Mazower, is zéér Europees: het is `de uitdrukking van de poging het soort historische stamboom te produceren dat vroeger (wellicht nog steeds) door Europa zelf werd geëist.'

Maar was de Ottomaanse onderdrukking wel zo intens wreed en desastreus als nu zo vaak wordt geroepen? Nee. In de veelvolkerenstaat die het Ottomaanse rijk was, werden mensen niet geregistreerd aan de hand van hun nationaliteit of taal, maar aan de hand van hun religie. Nog begin twintigste eeuw stelden Westerse bezoekers in Thracië verbaasd vast dat Grieken en Bulgaren, wonend in hetzelfde dorp, niet konden zeggen of ze Grieken dan wel Bulgaren waren: ze waren christenen, en dat ze verschillende talen spraken speelde absoluut geen rol. Ze wisten niet eens wat Grieken en Bulgaren wàren.

Beeldenstormen

In het Ottomaanse rijk bestonden geen Serviërs, Roemenen, Bulgaren en Albanezen, er waren moslims, joden, en orthodoxen. En zeker, de moslims werden duidelijk bevoordeeld, maar wie moslim werd deed dat doorgaans vrijwillig, gemotiveerd door economische of carrièreredenen, en wie christen wilde blijven, kon christen blijven. De Ottomaanse Turken buitten de Balkan wel uit, maar hebben zich jegens andere geloofsgemeenschappen (in elk geval tot hun neergang aan het eind van de 19de eeuw) toleranter en humaner opgesteld dan de West-Europeanen met hun beeldenstormen, pogroms en godsdienstoorlogen.

Een ander vooroordeel: de boeren op de Balkan waren, toen de Turken werden verdreven, achterlijk. Zeker, ze hadden, vergeleken met het Westen, een technologische achterstand. Maar, zo betoogt Mazower, de Turkse bezetting op zich was niet nadelig. Toen de Turken kwamen, werden ze verlost van de instabiliteit van het Byzantijnse rijk en de wrede onderdrukking van christelijke (Griekse, Slavische, Franse, Venetiaanse) landheren. En onder de Turken was de boer op de Balkan beter af dan een Pruisische, Russische of Hongaarse boer: die was lijfeigene, eigendom van landheer of grootgrondbezitter.

In het Westen werden veroverde steden van de vijand vaak geplunderd. De Turken hadden de steden juist nodig als administratieve centra: ze stichtten er vele, zoals Sarajevo, Banja Luka, Mostar en Tirana. In het Westen waren nieuwkomers vaak niet welkom, in het Ottomaanse rijk wèl — de uit het Westen verdreven joden werden er met open armen ontvangen.

Nog een vooroordeel dan wel misverstand: in Oost-Europa wordt graag gezegd dat de bevrijding van het Turkse juk tot een instant-verbetering van de situatie van de Balkanboer leidde. Maar vaak was de boer in de nieuwe onafhankelijke staten slechter af dan onder de Turken: de nieuwe staatsbureaucratie stuurde strenge belastinggaarders op zijn dak, gendarmes, landmeters en volkstellers, en hun komst betekende meer interventie in zijn dagelijks leven dan onder de Turken. `Beter de Turkse kogel dan de Griekse pen', zei men in Macedonië.

De nieuwe staten die onder het Turkse juk vandaan kropen waren klein, arm, instabiel, zwak, onzeker en werden veelal geregeerd door buitenlandse vorsten met hun buitenlandse topbureaucraten. Toen Griekenland onafhankelijk werd, toonden de twee miljoen in het Ottomaanse rijk wonende Grieken opmerkelijk weinig animo om naar dat nieuwe onafhankelijke Griekenland te emigreren. Integendeel: er was eerder emigratie van Grieken uit het nieuwe Griekenland náár het Ottomaanse rijk. Datzelfde gebeurde toen Servië onafhankelijk werd. In de nieuwe staten was sprake van méér, niet van minder geweld en onzekerheid. `De Grieken waren als slaven van de Turken te beklagen. Nu ze vrij zijn jagen de Grieken schrik aan. Hun leven is een opeenvolging van diefstal en gewelddaden, en brandstichting en moord zijn hun tijdverdrijf', schreef in 1836 een reiziger.

Ottomaans bewind

Het zijn maar een paar voorbeelden van vooroordelen en misverstanden over de Balkan die Mazower aan de orde stelt. The Balkans is ook geenszins `slechts' een rehabilitatie van het Ottomaanse bewind: Mazower brengt ook de geschiedenis van de twintigste eeuw in beeld, en de bovenvermelde voorbeelden hebben alleen maar betrekking op de Ottomaanse periode omdat die het meest misvormd wordt.

De oorlogen van de afgelopen tien jaar, om de verdeling van de Joegoslavische boedel, staan in de perceptie van de Westerling te boek als `typisch Balkan'. Ze zijn niet typisch Balkan: ze zijn typisch Europees. De Balkanstaten, sowieso stuk voor stuk het resultaat van de interventie van de Europese grote mogendheden in de 19de en begin 20ste eeuw, doen niets anders dan uit de restanten van multi-etnische superstaten (het Habsburgse rijk, het Ottomaanse rijk) natie-staten staten te bevechten. Dat is geen primitief maar een Europees idee: ze doen niet veel anders dan wat West-Europa eerdere eeuwen heeft gedaan, ook met oorlogen, ook met etnische zuiveringen (géén Balkan-uitvinding), tot aan Hitler toe, en zelfs nog later (zie de verdrijving van de Volksduitsers na 1945). Aan het Balkan-geweld, met al zijn etno-demografische engineering, ligt het Europese ideaal van de natie-staat ten grondslag.

De mythen en vooroordelen die Mazower ontkracht zijn eerder in boekvorm behandeld, door Ger Duijzings bijvoorbeeld, in zijn Religion and the Politics of Identity in Kosovo, en Maria Todorova in haar Imagining the Balkans. Mazowers boek mist ook de zeer eigen invalshoek die zijn boek over het Europa van de twintigste eeuw kenmerkt. Maar het is wel een mooi boek, een van de betere over Europa's roerigste schiereiland.

Mark Mazower: The Balkans. Phoenix Press, 170 blz. ƒ36,60 (pbk)