Mishandeling van kunst

Op het Frederiksplein in Amsterdam staat vlakbij de zandbak voor de omwonende kinderen het monument ter ere van Anthony Winkler Prins (1817-1908), grondlegger van onze grote encyclopedie. Het is een abstracte sculptuur van André Volten, een toren van dikke dof glanzende ringen. Elegant en imposant zou ik schrijven als ik kunstcriticus was, en ieder geval een plezier om naar te kijken. Dat doe ik een stuk of tweehonderd keer per jaar. De duurzaamheid van het kijkplezier is een lakmoesproef voor het kunstwerk.

Een paar dagen geleden had ik meer tijd om het nader te bestuderen. Ga aan de voet staan en zie het ten hemel reikende perspectief. Ook mooi. Kijk dan naar beneden. Op een metalen plaquette lezen we dat de zuil in 1970 aan de gemeente Amsterdam is geschonken. Winkler Prins wordt genoemd, maar niet de naam van de maker – althans, die kon ik niet ontdekken. Het is de bedoeling dat het kunstwerk wordt verlicht door drie schijnwerpertjes die achter een roostertje in de grond zijn aangebracht. Alle roostertjes zijn zwaar gehavend en vervuild. Achter het glas van één roostertje brandde op klaarlichte dag een peertje. Door de oude modder drong een zwak schijnsel. Op het dichtstbijzijnde bankje zat een jong meisje onbedaarlijk te huilen.

Mishandeling van kunst in de openbare ruimte, uit nonchalance, gewone botheid, vergeetachtigheid of door personeelsgebrek bij de overheid, is de gewoonste zaak van de wereld. Een poosje geleden alweer is door een rubriek in deze krant een onderzoek gedaan naar spoorloos verdwenen standbeelden. De meldingen stroomden binnen. Het bleek mogelijk te zijn, een kaart te tekenen waarop ons land bezaaid is met verdwenen publieke kunst. Winkler Prins mag van geluk spreken dat Volten voor zijn sculptuur het hardste nikkelstaal heeft uitgezocht en dat zijn monument zo zwaar is, en zo stevig verankerd.

Een mens raakt eraan gewend. Ik had het er waarschijnlijk bij gelaten, als ik niet was getroffen door een erudiet hoofdartikel in deze krant van afgelopen woensdag. Kunstrisico's staat erboven. Dan wordt de aandacht gevestigd op een onderzoek, uitgevoerd in opdracht van staatssecretaris R. van der Ploeg (OCenW), waaruit blijkt dat in één jaar (1999) 161 kunstvoorwerpen door mensen zijn beschadigd. In zeventig procent van de gevallen was daarbij sprake van opzet. Dit betekent dat, als het sindsdien zo is doorgegaan, in één op de iets meer dan twee en een halve dag iemand een kunstwerk aanvalt.

Onze commentator citeert dan de Zwitserse kunsthistoricus Dario Gamboni, die kunstvernieling als een uiting van `sociale woede' beschouwt, een protest van mensen die zich door de elite buitengesloten voelen. Ze hebben geen deel aan het `cultureel gezelsschapsspel', worden boos, en slaan of snijden iets aan stukken. Dat, voeg ik eraan toe, deden de nazi's ook. Ze maakten een scherp onderscheid tussen entartete Kunst en wat gezond werd bevonden. Een staatscommissie spoorde 13.000 ontaarde objecten op. Wat ze het kwaadst maakte, 730 werken, ging in een reizende tentoonstelling. Meer dan 4800 objecten zijn tenslotte vernietigd. En dan had je nog de boekverbranding. Barbaars, en van een verschrikkelijke vergeefsheid. Maar je kunt het ook opvatten als een grote, georganiseerde uitdrukking van sociale woede. Want wees er zeker van dat heel wat overigens brave mensen zich opgelucht hebben gevoeld en zich in hun gelijk bevestigd, als er weer iets van Otto Dix, Paul Klee of Max Ernst in vlammen op ging.

Ik betwijfel of we dit soort grootschalige sociale woede in deze tijd nog kennen. Eerder is het een vrijwel algemeen aanvaard axioma dat in de kunst alles mogelijk is en dat bijna niemand zich over wat dan ook verbaast – afgezien van de vraag naar het mooi of lelijk. Gooi een speciaal geslachte koe met een buik vol vuurwerk uit een hijskraan waardoor het kadaver ontploft, en geen haan die ernaar kraait. Zelden zijn kunstenaars van welke signatuur, richting, oorspronkelijkheid of plagiaat dan ook zo collectief in een maatschappelijke aanvaarding opgenomen. Het gevaar dreigt niet meer uit de ouderwetse kleinburgerij, tenzij het gaat om de omwonenden die zich groen en geel ergeren als er een `onbegrijpelijk' kunstwerk in plantsoen of vijver voor hun deur wordt gezet. In deze partij van de omwonenden kan de `sociale woede' dan nog een geduchte vorm krijgen.

Het nieuwe gevaar wordt geformuleerd in de eerste zinnen van genoemd hoofdartikel. `Kunstvernieling is een probleem in Nederland, al is het thema in de museumwereld taboe. Elk woord dat erover gezegd wordt, trekt maar ongeluk aan.' Dat ongeluk komt niet uit het niets. Kunst is een van de middelen om bekend te worden, volgens het grondrecht van Andy Warhol. Iedereen vijftien minuten van zijn leven wereldberoemd. Dat bereikt een mens vlugger door erkende, beroemde kunst te vernietigen dan door iets te scheppen.

Rancune tegen `onbegrijpelijke kunst' is van de vorige eeuw. Door een mes in de Mona Lisa te zetten, kom je op CNN en de rest. Dat is het probleem van deze tijd.