Lichtloensende charme

Humphrey Bogart liep door Haarlem en dat meisje had best Ingrid Bergman kunnen zijn. Laatste aflevering van een serie over momenten dat de filmkunst de geschiedenis tegenkwam.

Net als eerder de dichtkunst en de literatuur opende de bioscoop een nieuwe spiegelzaal in de verbeelding van de mensen. Dat je liedjes kon onthouden kwam door het rijm en de herhaling. Dat je wist hoe het in Spanje was – ook als je er nog nooit was geweest – kwam door Don Quichot. Dat mijn eerste hondje Trigger heette kwam door de bioscoop. Daar had ik ademloos de avonturen gevolgd van Roy Rogers, de zingende cowboy en diens witte paard Trigger. Zo had ik me misschien verzoend met het feit dat mijn hondje geen paard was. En ik geen zingende cowboy.

Ze hadden gelijk, je ouders, je onderwijzers, de katholieke filmcriticus A. van Domburg en de minister van OK&W: de bioscoop was een droomspelonk. Dat was het hem juist, in sommige dromen wilde je wel voor altijd blijven. Dat lukte nooit, maar splinters en scherven ervan kon je uit de spiegelzaal, zodra het witte doek weer dof was geworden, stiekem mee naar buiten smokkelen. Misschien waren ze straks op straat bruikbaar in het gewone leven, dat wel wat pep kon gebruiken.

In zijn nagelaten Autobiografie van een bioscoopbezoeker (1990) schrijft Italo Calvino dat de overgangsperiode tussen puberteit en volwassenheid draaglijk wordt gemaakt in de Cinema Palace, de Luxor of de Orion. De films die je hebt gezien tussen je dertiende en je achttiende hebben zich aaneengeregen tot de mythologie van de adolescentie, waar nooit tevergeefs werd aangeklopt om onderdak. Hij schrijft er overigens niet bij of dat ook gold voor meisjes. Feit is dat je tijdens die zwaarmoedige jeugdjaren liever ín de bioscoop zat dan erbuiten. Calvino beschrijft hoe hij op weg naar de cinema in de steeg achter het theater door het openstaande raampje van de projectiecabine de geluiden van die lokkende, veel echtere wereld kon horen. Ze zogen hem op een holletje naar de kassa om zich er, gulzig en onbelemmerd door de gewone realiteit, in onder te dompelen. Hij gaf er de voorkeur aan de middagvoorstelling te bezoeken, net als mijn leeftijdgenoten en ik. Het was het enige tijdstip van de dag waarop tussen school en huis kon worden ontsnapt. Calvino ziet zichzelf weer in de zaal zitten, waarvan tijdens de pauze ter verfrissing de zijdeuren werden opengezet.

Voorbijgangers zagen vanuit de zonnige steeg de fauteuilzitters in het schemerdonker, die op hun beurt bevreemd terugkeken – een blikwisseling, leek het, tussen twee planeten die elkaar in tegengestelde richting passeerden.

Maar het spannendste van zo'n laat middagbezoek was dat je de bioscoop was ingegaan bij vol daglicht en hem weer na zonsondergang in het duister verliet. De duur van de binnen beleefde geschiedenis leek nu ook greep te hebben gekregen op de buitenwereld. Letterlijk beklemmend was het wanneer de film dreigde te eindigen in regenscènes Scarlet Street (1946) van Fritz Lang en je hoorde tegelijkertijd door het geroffel op het dak van het theater dat het inmiddels in de Grote Houtstraat was gaan gieten. Er was gebeurd waarvoor je in het gewone leven zo vaak was gewaarschuwd: je zat klem in de droom. Was het droog gebleven maar toch donker geworden, dan durfde je op weg naar huis het verhaal waarvan je deel was geworden nog best een paar straten voor te zetten. Je bootste de gang na van Humphrey Bogart, je droeg zijn trench-coat al je eerste keus bij C&A toen je een nieuwe regenjas nodig had en je eerste aansteker leek ook op de zijne. Je kocht van je laatste zakgeld een ijsje bij Giraudi en als Mario, aarzelend bij de slagroom, had gevraagd: ,,How do you like your whiskey, sir'', dan had je hem gerust geantwoord: ,,In a glass.'' Precies zoals Humphrey Bogart in The Big Sleep (1946). Dat sprake was geweest van een regisseur (John Huston) en schrijvers die het verhaal hadden bedacht (Raymond Chandler, William Faulkner) was nog van geen enkel belang. Je vereenzelvigde de acteurs met hun personages, die zelf hun eigen geschiedenis hadden vastgelegd. Waarom had je ze niet kunnen tegenkomen, met hun heroïsche toelichtingen op je eigen bestaan?

Als ik bij café Brinkmann nu maar een calvados durfde bestellen en dan nog een en nog een mijn vader echter kende er alle obers dan kwam, zoals in Arch of Triumph (1948, Lewis Millestone), langzaam maar zeker het meisje, dat sprekend leek op Ingrid Bergman, betoverend op me af.

,,Is dat mortiervuur of klopt mijn hart zo?'' (Ingrid Bergman tegen Humphrey Bogart in Casablanca, 1942, Michael Curtiz.)

In die van melancholie doortrokken jaren hielp de bioscoop je erdoorheen. Net als de opeens weer verkrijgbare vitaminen van sinaasappels, bananen en volle melk kreeg ook de verbeelding een superdosis aan krachtvoer in de weer ontsloten buurttheaters die er de genegeerde speelfilmproductie van de voorgaande jaren in hoog tempo doorjoegen. Er schoot werkelijk bijna geen tijd over voor de gewone school.

Wat Rudy Kousbrouk van `het witte schoolbord' had geleerd, toen hij zich rond 1950 op een schoen en een slof in Parijs zou vestigen ,,langer in Nederland zou ik mezelf hebben opgehangen'' was dat zich nabij het Gare du Nord een betaalbaar logiesadres bevond, Hotel du Nord geheten. Dankzij de film noir van die naam (Marcel Carné, 1938), door Kousbroek kort tevoren in Amsterdam gezien, was de verbeelding in de plaats getreden van de realiteit. Regende het toen hij in Parijs het station uitkwam? Het filmhotel, waarin een depressief liefdespaar zelfmoordplannen koestert, was in de wijk die hij uit de bioscoop direct herkende ook na lang zoeken nergens te vinden.

De Weense schrijver-arts Arthur Schnitzler hield tussen 1879 en 1931 nauwkeurig dagboek. De complete publicatie ervan is onlangs voltooid. Hij hield er zijn vriendschappen in bij, zijn liefdesleven en zijn bioscoopbezoek. Zijn jongere tijdgenoot Hofmannsthal vindt hij bij nader inzien een snob als deze zijn geliefde bioscoop `een droomspelonk' heeft genoemd. In zijn uitputtende erotische boekhouding, waarin jarenlang zonder mankeren zijn meer en minder geslaagde copulaties staan genoteerd vaak meermalen per etmaal, meestal met verschillende minnaressen haalt Schnitzler de films die hij daarna bezoekt als een troostend commentaar zijn leven binnen. Ze heten Affairs On The Side of I'll Never Love Again.

Wie wel eens in Amerika is geweest zal zich van de eerste keer de kortstondige sensatie herinneren dat het is alsof je een film binnenloopt die je wel eens hebt gezien. Alle mannen, groter dan jijzelf, bewegen zich voort als een in herenpak vermomde John Wayne en alle aantrekkelijke meisjes op Fifth Avenue hebben hun lichtloensende, keiharde charme met Virginia Mayo gemeen. De Amerikaanse journalist Bill Bryson zegt dat je in een willekeurig stadje van small town America op Main Street maar door je oogharen hoeft te kijken of je ziet Deanna Durbin zingend de ramen lappen, James Stewart begerig naar een gedeukte trompet kijken in de etalage van een pandjesbaas (Edmond O'Brien), June Allyson als je buurmeisje guitig van een ijsje happen, W.C. Fields naast een stoplicht een sigaar aansteken waar het cellofaan nog omheen zit en in een zijstraat het muziekkorps passeren waarin Gary Cooper de tuba speelt. ,,Good morning, mrs. Smith'', klinkt het en op de gazons liggen de ochtendbladen die er door de om de hoek wegfietsende krantenjongen daarnet zijn neergesmeten. En achter gesloten blinden troost Donna Reed de jongen, die het die nacht niet heeft klaargespeeld en sprekend lijkt op Montgomery Clift.

Meer dan de helft van de Amerikaanse cinematografische nalatenschap, alvorens de televisie zijn verwoestingen in die speciale afdeling van de volksverbeelding zou aanrichten, speelde zich af in de spiegelzaal die aan de ene kant een soort New York vertoonde en er schuin tegenover het decor van een en hetzelfde Main Street, waaraan de drama's, de kleinsteedse komedies, de thrillers hun herkenning ontleenden.

Ook dat waren films waarin je had willen wonen.

Maar later niet meer. Liever nooit eigenlijk, nu ik lees dat The Disney Company in Florida een moeras heeft leeggepompt en er het stadje Celebration USA heeft opgebouwd dat – nu in de werkelijkheid – aan alle eisen van de bioscoopverbeelding voldoet. De adolescenten van toen die er inmiddels wonen – het stadje is vol – zijn allemaal boven de zestig. Wat zou hen in die tussentijd zijn overkomen?