Jeugdorkest speelt veel glaszuivere Adams en Eva's

Anton Bruckner was een origineel componist, maar een niet minder eigenzinnig pedagoog. Zo legde hij de drieklank op de volgende wijze uit: `Gott hat z'erst den Adam g'macht' (daarmee de grondtoon representerend), `und er hat eam aber bald dö eva geb'n' (de kwint), `und dö zwoa san net alloan blieb'n' (de terts). Zijn superieuren zagen er niets in en draaiden op zo'n les onverhoeds het licht uit: genoeg gekletst!

Het Adagio uit Bruckners Negende symfonie `Dem lieben Gott gewidmet, ... wenn Er sie annimmt', besluit één van de hoogtepunten van het concert door het Nationaal Jeugd Orkest donderdagavond in Oosterbeek in de Gelderse Muziek Zomer. Het hoofdthema bevat alle twaalf de chromatische tonen. En ook tientallen jaren vooruit zijn het klankvelden die niet uitgaan van melodie, thema of motief, maar slechts voorgevormd materiaal aanreiken.

Voor mij is het Adagio – het laatste dat Bruckner componeerde – vooral karakteristiek door het steeds terugkerende begininterval dat steeds hoger reikt. Een gebiedend gebaar, groots en geniaal. Verpletterend!

Welk een tegenstelling met de ruige, desolate resonanties in Gÿörgy Kurtágs Stèle (1994) waarin een van zijn meest broeierig expressionistische stukken vastloopt. Het eerste voor een min of meer conventioneel symfonie-orkest uitgebreid met Hongaars cymbalom en twee piano`s. Zoals Bruckner pas laat naar waarde werd geschat, had ook Kurtág een ongelukkige start. In het avant-gardecentrum Darmstadt zag men helemaal niets in zijn `verouderde' drieklankstijl.

Pas geleidelijk ontstond het besef dat Kurtág wel degelijk iets bijzonders had te melden, noch serieel noch tonaal, een `derdewegger' waarvan Ligeti eens treffend opmerkte: ,,Het toont ons een eenvoud op complexe wijze.''

Wel heel simpel opent Stèle ter nagedachtenis aan collega Mihály Andás met een dubbele `Adam' (Bruckner), een octaaf dat geleidelijk aan zijn ongereptheid verliest in zelfs duivelse ontwrichting met een pregnant piepende piccolo boven sinister borrelende strijkers, gevolgd door striemend slaghout als inzet voor een oorverdovende opstandigheid die letterlijk een jonge bezoekster in een snelle vlucht de kerk uit joeg.

Het slot, slechts gebaseerd op resonanties, staat geheel los van de rest. Alsof een late humane, zij het hypernerveuze Alban Berg plotsklaps wordt geconfronteerd met zo'n scherpe, cynische Scelsi-etude.

Reinbert de Leeuw slaagde er moeiteloos in alle werken een eigen karakter mee te geven, en hij dirigeert ook zoals hij piano speelt: heel doorleefd met gevoel voor een plastische articulatie, de dynamische verhoudingen zorgvuldig koesterend. Maar hij moest daarbij roeien met de riemen die hij had. Boven- en onderstemmen in het Nationaal jeugd Orkest waren behoorlijk, soms zelfs excellent, bezet. Tegen de hardvochtige hoorns viel voor het hout echter niet op te blazen. De strijkers in Sjostakovitsj' Kammersinfonie opus 110 a waren weer voorbeeldig in glaszuivere Adam en Eva's.

Concert: Nationaal Jeugd Orkest o.l.v. Reinbert de Leeuw. Werken van Sjostakovitsj, Kurtág en Bruckner. Gehoord 16/8 Vredebergkerk Oosterbeek. Herh.: 17/8 Concertgebouw Amsterdam; 19/8 De Vereeniging Nijmegen, beide met Bartók i.p.v. Sjostakovitsj.