En maar schrijven in de breedte

De Nederlandse uitgave van de romancyclus `A Dance to the Music of Time', is een ideale gelegenheid om te beoordelen of Anthony Powell (1905-2000) de tand des tijds heeft doorstaan.

`Un Proust anglais' is Anthony Powell genoemd, alsmede een moderne Balzac of Zola. En na zijn dood op 94-jarige leeftijd, op 28 maart 2000, kwam daar voor rekening van zijn Nederlandse uitgever nog een eretitel bij: de Britse Voskuil. Niet omdat Powells autobiografische levenswerk, A Dance to the Music of Time, inhoudelijk veel gemeen heeft met Het Bureau; maar omdat het net als Voskuils cyclus bestaat uit meer delen (twaalf om precies te zijn) en tientallen jaren beschrijft uit het leven van de hoofdpersoon. Wat niet wegneemt dat Powell vooral om commerciële redenen in één adem met Voskuil werd genoemd. Uitgeverij De Prom stond op het punt om deel 1 van de eerste integrale vertaling van A Dance to the Music of Time uit te brengen, en kon van het succes van Het Bureau alleen maar dromen. Immers, de vorige uitgeverij die een vertaling had aangedurfd, was er eind jaren tachtig na vier delen mee gestopt omdat de verkoop tegenviel.

Anthony Dymoke Powell schreef het zelf al, in The Acceptance World (1955), het derde deel van A Dance: `Kunstenaars kunnen snel uit de publieke belangstelling verdwijnen: in vergetelheid geraakt als hadden ze nooit bestaan.' In de jaren zestig en zeventig gold de ooit als satiricus begonnen Powell als een van de grootste Engelse schrijvers van de twintigste eeuw, een belangrijke kandidaat voor de Nobelprijs. Een kwart eeuw later werd hij – anders dan generatiegenoten als Graham Greene en Evelyn Waugh – behalve door bejaarde `Powellites' nauwelijks meer gelezen. Zelfs een geslaagde televisiebewerking van A Dance (in 1998 en 2000 door de VPRO uitgezonden) kon zijn reputatie en naamsbekendheid niet opvijzelen.

De integrale Nederlandse uitgave van A Dance, goed vertaald door Auke Leistra en voorbeeldig door De Prom vormgegeven, is een ideale gelegenheid om te beoordelen of Powell de tand des tijds heeft doorstaan. Deze zomer verscheen De acceptatiewereld, het slotdeel van de eerste trilogie, `Lente'. Powell liet zich voor de compositie en de titel van zijn roman-fleuve inspireren door een allegorie van de zeventiende-eeuwse schilder Poussin waarop de vier seizoenen een dansje maken op muziek van Vadertje Tijd; een beeld dat zijn alter ego op de eerste bladzijde van deel 1, Een kwestie van opvoeding (1951), doet denken aan `mensen die, net als de Seizoenen met het gezicht naar buiten gekeerd, hand in hand bewegen op een ingewikkelde maat; langzaam stappend, methodisch, soms een beetje onbeholpen, in draaiende bewegingen die een herkenbare vorm aannemen; of in schijnbaar zinloze wervelingen uitbarstend, terwijl partners verdwijnen en weer opduiken, om opnieuw een patroon in het schouwspel te brengen.'

Beau-monde

Natuurlijk geeft Nicholas Jenkins, de verteller van Een dans op muziek van de tijd, hiermee ook een kenschets van de romancyclus waaraan hij net is begonnen. Anders dan bijvoorbeeld John Galsworthy, de schrijver van The Forsyte Saga die als St.John Clarke in de Dans belachelijk gemaakt wordt, is Jenkins/Powell niet geïnteresseerd in een plot of een meeslepend verhaal. Hij beschrijft zijn leven, vanaf zijn laatste jaar op kostschool, en roept even geamuseerd als amusant de wereld van de Engelse beau-monde in de jaren twintig op – zonder dat het wereldnieuws hinderlijk interfereert. Vooral in de delen 2 en 3, Een kopersmarkt en De acceptatiewereld, beweegt het verhaal zich van het ene feest naar het andere diner, waarbij Jenkins voortdurend mensen tegenkomt die hij (goed) heeft leren kennen en al tijden niet meer heeft gezien.

Echte hoofdpersonen heeft de Dans niet. In Een kwestie van opvoeding, dat zich afspeelt op Eton en Oxford, lijkt het erop dat Powell aanstuurt op een Brideshead Revisited-achtig verhaal over vriendschap en hoe die teloorgaat, maar in de volgende delen komen Nicks beste schoolvrienden nog maar in bijrolletjes voor. De Etonian die Nick nog het vaakst ziet is Kenneth Widmerpool, een lachwekkende jongen die er nooit helemaal heeft bijgehoord maar die sneller dan enig ander carrière maakt in het post-universitaire leven. Nick kan hem niet uitstaan, maar wordt in de raarste situaties met hem geconfronteerd; voor hem is Widmerpool `een van die symbolische figuren rond wie verleden en toekomst geneigd zijn zich te verzamelen.'

Zelfs Nick is niet wat je een round character zou kunnen noemen. De lezer komt weinig over hem te weten; in tegenstelling tot `Marcel' in het werk van de Franse Proust is hij vooral een scherp observator van de hypocrisie en eigenaardigheden van anderen en schrijft hij mondjesmaat over zijn eigen hopeloze verliefdheden of frustraties in de literaire wereld – de `strijd om onbereikbare lauwerkransen'. Zijn persoonlijke commentaar is in de eerste plaats abstract (`Het is niet makkelijk – en zelfs niet wenselijk – om een consistente maatstaf te hanteren bij het beoordelen van andere mensen'), en het is dan ook niet verwonderlijk dat hij in De acceptatiewerld van een waarzegster te horen krijgt dat hij `tussen twee werelden' leeft: `U moet proberen het leven te begrijpen.'

De Dans lees je niet om je te identificeren met de hoofdpersoon. Je kunt gefascineerd raken door Powells `thick description' van de vooroorlogse Engelse upper classes. En je kunt je koesteren in de gave zinnen en de mooie beeldspraken waarin Jenkins grossiert. De gangen van een niet al te luxe pension worden door hem vergeleken met `catacomben van een hel bestemd voor de stille smart van hen die het in het leven ontbroken had aan het inkomen waarop ze recht meenden te hebben'; terwijl een roddelende universiteitsman wordt gekarakteriseerd als een `kardinaal van de academische wereld die zijn thee nooit zonder een intrige gebruikte.' Voor liefhebbers van filosofische bespiegelingen komen er in ieder hoofdstuk wel elegant geformuleerde gedachten voor over volwassen worden, seksuele jaloezie, en het overkoepelende thema van de romancyclus: `de conflicten en compromissen tussen de verbeelding en de wil, rede en gevoel, macht en genotzucht.'

Geestig

Powell is regelmatig behoorlijk geestig, bijvoorbeeld wanneer hij lelijke gebouwen beschrijft als `studies in architectonische onbeduidendheid' of een medestudent om zijn hoge, doorlopende voorhoofd vergelijkt met een professor in een moppenblaadje. Overigens kiest hij vaker voor wat klassiekere vergelijkingen: om de haverklap worden mensen of situaties gekoppeld aan mijlpalen uit de cultuurgeschiedenis. Een vriend heeft de gelaatstrekken van de Alexander van Veronese; een landhuis herinnert aan een `inschepingsscène van Claude Lorraine'; en over zijn vriendin in deel 3 zegt Jenkins dat zij hem aanvankelijk deed denken aan De Strohoed van Rubens, maar nu aan de waterpijprokende vrouw in Vrouwen van Algiers van Delacroix.

Misschien is dat een reden dat Een dans op muziek van de tijd een meer gedateerde indruk maakt dan de romans van Waugh of Greene. Een van de vele dingen die Powell in zijn romancyclus doet is constateren dat het klassieke referentiekader van de goede oude tijd (lees: de negentiende eeuw) aan het verdwijnen is, waardoor de `sociale funderingen' bouwvallig worden. Hij had gelijk; en dát maakt dat de Dans voor de hedendaagse lezer, die bijvoorbeeld zijn pre-moderne schilders niet allemaal meer paraat heeft, af en toe saai wordt. Daarbij komt dat Powells `beschrijvingen in de breedte' – Een kopersmarkt bestaat grotendeels uit de weerslag van één avond in de late jaren twintig – de boeken wel erg traag maken.

Niet bij stijl alleen, zou het oordeel over de Dans anno 2001 kunnen luiden. De belevenissen van Nicholas Jenkins zullen de Nederlandse lezer heel wat minder boeien dan die van Maarten Koning – ook al omdat dat de verteller te veel een afstandelijke wetenschapper en te weinig een mens van vlees en bloed is. Hoewel ik genoten heb van de humor en de weemoed van Een kwestie van opvoeding en plezier heb beleefd aan de excentrieke personages in De acceptatiewereld, zal ik bij de verschijning van deel 4 niet in een slaapzak voor de boekhandel gaan liggen.

Anthony Powell: Een dans op muziek van de tijd (A Dance to the Music of Time). I: Een kwestie van opvoeding (A Question of Upbringing), 220 blz. II: Een kopersmarkt (A Buyer's Market), 256 blz. III: De acceptatiewereld (The Acceptance World), 208 blz. Uit het Engels vertaald door Auke Leistra. De Prom, prijs per deel ƒ49,95 (gebonden).