Een prins op pad

GENEVE/MONTREUX. ,,Dat is haar zoon niet'', zei een keurige Engelsman tegen zijn vrouw, ,,dat is haar minnaar.''

De twee kinderen leken zich niet te storen aan de conversatie van hun ouders. Hun belangstelling voor zonen die zich ontpopten als minnaars was nog niet ontwikkeld.

Mijn zesentachtigjarige vriendin schreed aan mijn arm door de eetzaal. Ze droeg een kaftan en ze genoot van de aandacht. De wereld was haar publiek.

Zij herinnerde zichzelf als een ongekende schoonheid, met alle voordelen die daaraan vastzitten. Een behendige, ambitieuze vrouw weet dat je schoonheid moet laten rollen als geld. Wind ze om je vingers, want ze zijn blind en ze verdienen niet beter.

Niet het onvermijdelijke verval van haar schoonheid beschouwde ze als een grove onrechtvaardigheid, wel de reacties van de wereld op dat verval. In haar optiek waren oude vrouwen net negers het beste waarop ze konden hopen is dat ze beleefd genegeerd werden. Dat was haar te weinig. Haar leven werd één grote verkleedpartij, met passanten en voorbijgangers als het onwetende publiek, een enkele keer ook als deelnemer. Een spel dat niet mocht ophouden, omdat buiten dat spel de dood begon.

Toen ontmoette ze mij. Een vriendelijke, naïeve en toch scherpzinnige jongeman, dromend van een grote toekomst die hem dreigt te ontglippen, omdat hij ook alweer dertig is. Ik zeg niet dat ik dat ben, ik zeg dat ik zo kan overkomen.

Hoewel ik niet werkelijk een vrouw ben en ook niet werkelijk oud, vond ik net als zij dat de wereld straf had verdiend. Ook ik beschouwde die wereld als mijn publiek. Af en toe mocht iemand de kleedkamer in.

Velen waren blind geweest voor mijn grootheid, voor de prins die ik ben, en sommigen waren nog steeds blind voor het licht dat ik op de wereld liet schijnen. Wellicht klinkt dit onaangenaam, ik schrijf niet om aangenaam te klinken.

De zesentachtigjarige (die in werkelijkheid een paar jaar jonger was, niet meer dan een paar jaar; ik plaagde haar door haar `mijn zesentachtigjarige' te noemen) en ik werden een koppel. We bezochten restaurants, zij ontving mij in haar penthouse, en steeds vaker deed zij naakt of halfnaakt open. Dat stoorde me niet. Haar seksuele avances sloeg ik af onder verwijzing naar een ongeluk met een paard. En zij antwoordde, ,,geen man zou zijn handicap zo moedig hebben gedragen als jij.''

Ik flirtte met de impotentie, want ik flirt graag met pijn.

Het was goed dat ik haar niet een paar jaar eerder was tegengekomen, dan was ik niet opgewassen geweest tegen haar malicieuze manipulaties. Nu genoot ik ervan.

Weten waar je aan toe bent, dat kan na de dood. Zolang ik leef, wil ik bij voorkeur niet weten waar ik aan toe ben. Ik op mijn beurt laat anderen ook niet weten waar zij aan toe zijn. Alleen deadlines zijn heilig.

In juli zou ik een paar dagen naar Europa gaan en mijn bejaarde vriendin en ik speelde met het idee dat zij mij zou vergezellen.

Op een ochtend vertelde ze me dat ze een ticket had gekocht. Ze zei: ,,Ik heb er duizenden dollars voor over om in jouw gezelschap te verkeren. Jij hebt de mooiste lippen die ik ooit heb gezien.''

Misschien ging mijn ijdelheid met mij op de loop, maar ik geloofde haar.

Ik had verteld dat ik eerst naar Zwitserland zou gaan, omdat ik daar twaalf Zwitserse franc op een rekening had staan. Zo een keer per jaar ging ik naar die twaalf franc kijken.

Zij wilde ook wel een rekening openen, en vooral wilde zij foto's maken van ons aan het meer van Genève. Voor haar boek. Zij had problemen met haar derde gebit, kon daardoor bepaalde gerechten niet eten en werkte aan een boek getiteld: Een restaurantgids voor mensen met een rammelend gebit en andere levensgenieters. Ze mocht dan vals zijn op zijn tijd, ze was origineel.

In restaurants genoot ze ervan mij onder mijn kin te kietelen en dan luid te zeggen: ,,Jij bent mijn kleine joodje''.

Waarop ik luid antwoordde: ,,Zonder jou lag ik nog steeds in de goot.'' Het publiek kreeg wat het verdiende: straf.

Zo vlogen wij op een zaterdagavond naar Genève. Ik met flink wat bagage en een papieren zak gevuld met condooms, waarover later meer.

Voor een vrouw die van het leven één grote verkleedpartij had gemaakt, had zij zich qua bagage aardig ingehouden.

Soms dacht ik, waar ben ik aan begonnen. Bijvoorbeeld toen ze op JFK riep: ,,Ik moet een sigaret, Arnon, anders val ik flauw.''

Maar wat is leven als niet af en toe iemand flauwvalt. Het drama moet doorgaan. Dus vroeg zij aan een stewardess: ,,Wilt u er alstublieft voor zorgen dat hij niet naast mij komt zitten. Hij is een wrede minnaar.''

Het spel is niet aan iedereen besteed en ik geloof dat het personeel van Swissair oprecht blij was toen mijn vriendin weer het vliegtuig verliet. Vooral ook toen na de landing de papieren zak opengescheurd bleek te zijn en het condooms regende op de passagiers. Laat ik dit uitleggen.

In Montreux zou ik een jongedame ontmoeten. Ik had de bejaarde verteld dat deze dame mij zou gaan genezen van mijn handicap. De bejaarde was op het idee gekomen deze genezing bij te wonen, en in een onbewaakt moment had ik haar dat toegestaan.

Zij moet hebben gedacht: als ik niet van hem kan genieten, wil ik tenminste zien hoe anderen dat doen. Een waardig, humanistisch standpunt. Misschien is dat wel de kern van het humanisme: kijken hoe anderen genieten.

Het leek mij een aardig cadeau voor mijn genezer om een handtas en een picknickmand met condooms te vullen. Bovendien hield ik ervan de bejaarde jaloers te maken. Haar jaloezie is een delicatesse.

In een grote drogisterij in New York kocht ik voor duizend dollar condooms. Ik had alle soorten en maten van de rekken gerukt. Er zijn veel soorten en maten. Bij de kassa kwam de manager even kijken.

,,Dat is nogal een voorraad die je daar koopt'', zei hij.

,,Ik ben vandaag erg opgewonden'', antwoordde ik.

De bejaarde en ik brachten een paar dagen in Zwitserland door, waar wij veel opzien baarden.

De dag naderde dat wij in Le Montreux Palace de genezer zouden ontmoeten. Mijn bejaarde vriendin had de genezer in New York al een keer ontmoet en haar toen omschreven als een vrouw die niets anders voor zich heeft spreken dan haar jeugd, en zelfs dat niet lang meer.

De bejaarde had met vrouwen wat ik met mannen heb: ze beschouwde ze als minderwaardige wezens en kon ze alleen als personeel in haar omgeving velen.

Ik had voorgesteld dat wij voorafgaand aan de genezing met zijn drieën in La Véranda zouden eten, het beste restaurant van Le Montreux Palace.

Eerst zou ik de genezer alleen ontmoeten in de bar. Ik was nerveus, te veel had ik me van de ontmoeting voorgesteld, de werkelijkheid kon mij wel eens in de steek laten. Ik wilde van de genezer houden.

Ik overhandigde haar de handtas en de picknickmand. Ze moest zo hard lachen dat ik vreesde dat de pianiste verstoord zou stoppen met spelen.

,,Om 9 uur begint het diner met de bejaarde'', zei ik. ,,Je moet niet bang zijn als ze naar onze kamer komt. Wij humanisten moeten anderen naar ons genot laten kijken, de bejaarden, de zieken, de hongerigen, de dorstigen, de verworpenen moeten van ons genieten en wij van hen.''

De bejaarde kwam te laat voor het diner. Ze bestelde kaas en koud vlees.

,,Heb je de kamer van Nabokov al gezien?'', vroeg ze aan de genezer.

En na een kwartier: ,,Jij lijkt op een vriendin van mij. Maar dan zonder talent.''

Ik leunde achterover. Wat een zoete gifbeker was de onmacht van de liefde. Dit was leven: zorgvuldig geënsceneerde pijn, met uitzicht op het meer van Genève.