De `kwestie' Melkert

Nog maar een maand geleden werd de nationale politiek beheerst door drie woorden: Wat doet Kok? Gaat hij door als politiek leider van de PvdA of houdt hij het na deze kabinetsperiode voor gezien? Het antwoord laat nog op zich wachten, maar er is inmiddels wel een subvraag met een causaal verband bijgekomen: hoe vergaat het Melkert? De kroonprins heeft namelijk een krasje opgelopen. Sterker: er is sprake van een `kwestie-Melkert'. Om hem heen zoemen de begrippen misbruik en miljoenen; meer dan voldoende om het beeld `in opspraak' te vestigen. En aangezien het beeld tegenwoordig allesbepalend is zit Melkert dus met een serieus probleem. Maar is er ook werkelijk een probleem of wordt er vooral een probleem gecreëerd?

Wat Melkert wordt verweten is dat toen hij in 1994 minister van Sociale Zaken werd, met zijn medeweten Europese subsidiegelden verkeerd zijn aangewend. Dat er met Europees geld is gerommeld is duidelijk. Niet voor niets eist de Europese Commissie 440 miljoen gulden terug van Nederland omdat dit uit het Europees Sociaal Fonds afkomstige geld aan de verkeerde doelen is besteed. De vraag is alleen of dit erg is. Gaat het om fraude (,,erger dan fraude'', oordeelde D66 vice-fractievoorzitter Bakker zelfs), of is het meer een kwestie van `creatief boekhouden' waar elke begroting vol van staat?

Alles wijst er tot nu toe op dat vooral met geldstromen is gegoocheld. Om een bezuiniging bij de arbeidsbureaus te verzachten, is geld uit het Europees Sociaal Fonds, bestemd voor concrete werkgelegenheidsprojecten, toe gesluisd naar het apparaat dat zich bezighoudt met arbeidsbemiddeling. Op het eerste gezicht niet een echt spectaculaire wandaad. Het is alsof Europees subsidiegeld bestemd voor fietspaden is gebruikt voor de aanleg van wandelpaden.

Het spelen met Europees geld is geheel in lijn met het mechanisme dat de `jonge Drees' al in 1985 in zijn boek Nederlandse overheidsuitgaven signaleerde. Daarin constateerde hij dat in Europa ,,budgettair wangedrag overzichtelijk aanwezig is''. Als één van de voorbeelden noemde Drees de besteding van het geld uit de diverse Europese fondsen. ,,Verschillende onderdelen van de begroting worden niet zozeer gebruikt om de doelen van die fondsen dichterbij te brengen maar om nationale overheden enige `compensatie' voor betalingen door hun ingezetenen aan de EG.''

Precies dus wat er onder leiding van Melkert in 1994 met de miljoenen uit het Europees Sociaal Fonds is gebeurd. Het mag niet van Brussel, getuige de daar in gang gezette terugvorderingsactie, maar daarmee lijkt alles toch wel zo'n beetje gezegd. De geldomleiding past in de categorie `het proberen waard' en heeft weinig te maken met oplichting.

De commotie van de afgelopen weken suggereert daarentegen iets geheel anders. `Toekomst van Melkert op het spel' stond er nog deze week groot op de voorpagina van De Telegraaf. En op het eveneens deze week gehouden jaarlijkse zeiluitje van de paarse coalitie was Melkert niet voor niets het favoriete onderwerp voor de visuele pers. De potentiële opvolger van Kok is immers, zoals dat heet, `in opspraak'.

Het is het meest diffuse en tevens meest gevaarlijke begrip waarmee een politicus te maken kan krijgen. Het zegt aan de ene kant niets, iedereen mag de woorden in opspraak dan ook ongestraft hanteren, maar de kwalificatie kan tegelijk dodelijk zijn. Of het ook daadwerkelijk deze uitwerking zal hebben hangt vooral af van de betrokken politicus en zijn omgeving. Anders gezegd: hoe groot is de kwetsbaarheidsfactor. Hoe groter het gezag, des te kleiner de kwetstbaarheidsfactor. Wat dat betreft is de huidige `kwestie-Melkert' dus een aardige testcase voor de PvdA-kroonprins. Een politicus met enig gezag moet een zaak als deze gemakkelijk aankunnen.

Overlevingskunst is in het huidige tijdsgewricht nu eenmaal één van de belangrijkste eigenschappen waarover een politicus moet beschikken. Met alleen beleid komt men er niet, vooral ook omdat het beleid van politici tegenwoordig zo weinig van elkaar verschilt. Het gaat om het vertrouwen dat de politicus weet uit te stralen. Dat vertrouwen ontstaat door de wijze waarop hij in het politieke mijnenveld weet te opereren, oftewel hoe de politicus weet om gaan met de incidenten die hij op zijn weg aantreft.

Het is een gevolg van wat de toenmalige fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer, Thijs Wöltgens, tien jaar geleden in zijn boekje Lof van de politiek bestempelde als de `epideiktische ziekte' die zich van de politiek heeft meester gemaakt. Deze ziekte, aldus Wöltgens, ,,reduceert de politiek tot een permanente wedstrijd die de performance boven de inhoud van het stuk plaatst.'' De politiek is verworden tot een gevecht om de beeldvorming waarop allerlei onvoorziene actoren van invloed zijn.

Melkert ondervindt dit nu. Een tamelijk onschuldige actie van bijna zeven jaar geleden om de gevolgen van een bezuiniging te redresseren, heet nu opeens een obstakel op weg naar het leiderschap van de PvdA. Hardvochtig maar waar. Zodra er in het openbaar geconstateerd wordt dat de positie `ter discussie staat', staat de positie ook ter discussie, ongeacht de vraag wie deze constatering heeft gedaan. In de huidige `mediacratie' speelt letterlijk elke stem een rol.

Voor politici is dit een gegeven. Het zijn vervolgens de politici met gezag die de storm eenvoudig doorstaan. Wat de komende tijd aan de orde is, is niet het verleden van Melkert, maar het heden. Beschikt hij over het gezag om het rondom hem ontstane beeld te kantelen. Met andere woorden: kan hij het leiderschap aan?