De Jaarvogel

Rudy Kousbroek bespreekt deze zomer een aantal dierenfoto's. Deze week de zevende: de neushoornvogel, een luidruchtige vlieger.

Hoe was het dagelijks leven vóór de oorlog in Indië? Lees het schitterende laatste boek van Frits van den Bosch, Aan de oever van ooit en nooit meer, verschenen bij Querido, helaas kort na zijn dood.

Zoals dit, uit het verhaal `Kijk hoe geel de wilg bloeit vandaag': `Als ik opkeek van mijn boeken zag ik het gebergte Andjasmara dichttrekken in de morgenmist. Daarboven was ik ooit met Ted geweest. Daar hadden wij neergekeken in de doolhof van ravijnen waar geen mens ooit een voet had gezet, waar de stilte zich echoloos sloot om de eenzame stem van een vogel. Je wist niet eens zeker of je hem wel had gehoord.

Daar in die Andjasmara hadden wij Ndas Glondong getrotseerd, het mensenhoofd dat heen en weer sprong tussen de bomen. Als je het tegenkwam, zo zeiden ze in de kampong, bestierf je het van de schrik. Alleen een horde apen was met ons meegesprongen, hoog onder het bladerdak, maar we waren wel blij geweest toen we terug waren en weer konden lachen om Jacob, de tamme neushoornvogel van de familie Klay, die zo onbehoorlijk en zo gulzig at. Hij pikte met zijn grote snavel in een papaja en schudde zijn kop. De brokken en de pitjes en de spetters vlogen alle kanten op. Oom Nico kneep zijn blauwe ogen, onder de borstelige wenkbrauwen, stijf dicht. `Attaquez!' riep Teds moeder, die padvindster was. `Kraaa!' zei Jacob en hakte opnieuw in de vrucht.'

Vogels waren geliefde huisdieren in Indië. Wat mij achteraf opvalt is hoe geïnteresseerd de mensen waren in de vele diersoorten die in Indië bestonden; als je nu grasduint in een vergeten parel als Indische vogels in stad en veld van W. Groeneveldt uit 1939, is het opvallend dat je er bijna geen soort in tegenkomt waarmee niet geprobeerd is er huisdieren van te maken. Soms lukte dat slecht, maar vaak ook bleek het mogelijk een werkelijke band te scheppen met de meest onverwachte dieren. Zoals met neushoornvogels. Niet een alledaagse keuze voor een huisdier, alleen al omdat ze zo groot zijn, maar ook hun levenswijze in de natuur maakt het niet voor de hand liggend. `Een wonderlijke verschijning', schrijft Delsman, `met zijn enorme, van een `hoorn' of plaat voorziene snavel, zijn korte vleugels en vrij lange staart.'

Bij de Indonesiërs bestonden allerlei verhalen omtrent deze dieren, zoals het geloof dat je bij sommige soorten aan het aantal richels op de hoorn kon zien hoeveel jaren oud ze waren, vandaar dat deze `boeroeng taoen' of jaarvogels werden genoemd. Maar helaas, het klopt niet: `Men voelt echter wel, dat dit te mooi is om waar te zijn', schrijft Delsman in zijn al vaker geciteerde Dierenleven in Indonesië.

Neushoornvogels leven meestal paarsgewijs; een detail dat al sterk tot mijn verbeelding spreekt is dat het mannetje geregeld een geluid maakt dat klinkt als `hok', dat door het vrouwtje onmiddellijk wordt beantwoord met `hak': `welke geanimeerde conversatie zelfs onder het vliegen voortgezet wordt.'

Maar er is een nog veel wonderlijker scenario. Ik hoorde het voor het eerst toen ik een jaar of negen was en met mijn vader en een ploeg koelies mee mocht, het oerwoud in, om een zogenoemde rintis te leggen, dat was het banen van een pad om de bosgrond op te meten. De begroeiing was heel dicht (`jong bos'), er moest met hakmessen een pad in worden gekapt. Ik heb nog foto's van hoe de mandoer (opzichter) mij op zijn rug droeg, vanwege de slangen, waarbij hij een lopend commentaar gaf over wat er te zien was. O, als ik dat nog eens terug kon horen. Hij wees aan – die boom daar, zie je hem? Die boom mag niet worden omgekapt, nooit, nooit. En hoor je dat geluid? wah, boeroeng rangkok njo, een neushoornvogel; kijk, daar is zijn nest. Daar zit zijn vrouw ingemetseld, ze kan er niet uit. Hij brengt haar eten, als iemand hem doodschiet, verhongert zij.

Het geluid waar de mandoer op doelde was de wiekslag, neushoornvogels zijn luidruchtige vliegers: `er is geen enkele andere vogelsoort, waarvan de wiekslag op zulk een grooten afstand zoo sterk hoorbaar is' (Groeneveldt). Het verhaal over het ingemetselde vrouwtje berust op waarheid: het broedende dier wordt door het mannetje ingemetseld in de holte van een boom, en moet dan inderdaad door hem worden gevoerd. `Het schijnt dat een paartje elkaar jarenlang trouw blijft' (Groeneveldt). `Setia', [ze zijn] trouw, zei de mandoer.

Dat inmetselgedrag van de neushoornvogel werd traditioneel verklaard in termen van monogamie, jaloezie en huwelijksliefde. Hok, schat, ben je daar nog? Hak, ja liefste, hier ben ik.

Het wonder van deze uxorieuze vogel is dat hij `heel goed in gevangenschap is te houden en dan heel tam kan worden' (Delsman). Ik koos bijgaande foto omdat die daar iets van onthult, iets dat je op gewone afbeeldingen van neushoornvogels nooit te zien krijgt, namelijk een meisje met een jaarvogel, zo lief, op haar arm, op een Indisch erf, zo herkenbaar, het lijkt zo dichtbij.

Ik dank deze foto aan W.G. van den Akker, dezelfde van wie ik de onvergetelijke foto van het varken met de dwarsbalk kreeg, en die mij later een envelop met dierenfoto's uit zijn familiealbum toestuurde, met de weemoedige aantekening: `U mag er mee doen wat u wilt, ik heb toch geen familie meer'. Achterop de foto staat met potlood: Djampie de neushoornvogel.

Nog iets waar deze vogels beroemd om waren is dat zij hapjes die je ze toegooide konden opvangen, zoals een hond; er bestond naar het schijnt zelfs een soort die zelf eerst alles wat zij wilden eten omhooggooiden en dan opvingen in hun grote snavel. Nogal evocatief is de opmerking waarmee Groeneveldt zijn beschrijving van een van de soorten neushoornvogels besluit: `Verder hebben zij een onbegrijpelijk snelle spijsvertering.'

Groeneveldt vermeldt ook dat neushoornvogels `bijzonder tam worden; men laat hen dan vrij rondvliegen, zonder dat zij naar het bosch terugvluchten.' En dan komt weer diezelfde waarschuwing als bij zoveel Indische dieren die als huisdier werden gehouden: `Deze vogels zijn bijzonder aardig zoolang zij niet te oud zijn, want dan worden zij valsch en vernielzuchtig; voor kinderen worden zij dan bepaald gevaarlijk.'

Misschien is dat de reden dat wij er thuis geen hadden, want mijn ouders hadden wel een neushoornvogel gehad, maar dat was voor mijn tijd; ik weet daarom ook niet hoe hij heette en ik kan het mijn moeder niet meer vragen. Misschien heette hij ook wel Djampie, misschien was dat wel een gangbare naam voor neushoornvogels zo zijn er wel meer dingen die nu al niemand meer weet. In elk geval een goede naam, het woord betekent toverspreuk in het Indonesisch, bezwering; ik denk aan die familie op de foto, die er niet meer is.

Iets waar ik me nu nog beroerd om kan maken is dat zo'n neushoornvogel in gevangenschap meestal alleen was, terwijl ze in het wild in paren leefden. Als hij hok! riep kwam er geen hak.

Het verhaal van Frits van den Bosch waar ik uit citeerde gaat over pogingen een stelling te herinneren uit een oud schaakboek, waar hij als jongen schaken uit leerde. Als hij eindelijk jaren later in Europa een exemplaar van dat boek vindt, staat die stelling er niet in. `Heb ik het dan gedroomd? Heb ik het verzonnen? Met alles daar rondom heen: de rukwind in de mimosa's, de rozentuin, de watermolentjes, het meisje in het gele bloesje, de vogel Jacob en de bloemenloods en Mas Glondong (ach laat maar staan, het klinkt wel zo aardig, Mas) in de Andjasmara. Ach wat doet het ertoe. Van dit aards bestaan blijft immers niets over, en niets ervan neem je mee in je graf. Ik heb immers allang gecapituleerd?'

Vaarwel Frits, vaarwel.